Wetgeving

 

Laws and Decrees

 

Wetten en besluiten zijn geordend naar datum van uitgifte. Gebruik de landenbestanden als index

 

Laws and Decrees are in chronological order. Use the files of states and provinces as an index.

 

Privilege van Keizer Frederik III van 10 januari 1490

 

"Fridericus divina favente clemencia Romanorum Imperator semper Augustus Hungarie Dalmacie Croacie &c Rex ac Austrie Stirie Karinthie et Carniole Dux. Dominus Marche Sclavonice ac Portusnaonis. Comes in Habspurg Tirolis Phieretis et in Kiburg. Marchio Burgonie et Lanndtgravius Alsacie. Ad perpetuam rei memoriam. Et si imperatorie Maiestatis vire benignitas ex innata sibi clemencia quibustuis sacro Romano imperio subiectis libertatum et graciarum premia reddere consueverit idisz ex crediti nobis officy misterio prosequi teneamus. Illos tumen in primis precipuis donis afficere et singularibus honoribus dignitatibus et preheminencys extollere debere dignos censimus ymo cosdem in gremio nre celsitudinis singulariter fouendos fore summo studio incendimur quos inmote fidei constancia nullus nouerrantis fortune impetus a fide et observancia sacri Romani Imperio removere aut aliquantis per aliorsum flectere valuit. Sanc fidem muiolatam et obsequia indefessa quibus Opidum et totus facii impero districtus Mechlimen ac nra tempestute sese Sacro Imperio gratissim exhibuit cum id solum Serenissimi principis dni Maximiliani Roman Regis semper augusti ac Archiducis Austrie Ducis Burgundie Brabancie Gelrie &c Comitis Flandrie et Tirolis &c Flandriam et totum fere Brabanciam potentissimus sue Serenitatis hostes sustinerit et vitam et bona in cuis statum et honorem servandum liberali vultu et animo expendere non dubitauit. Non inmerito perisan ac tantanullius Opidi et districtus fidem perpetuitati conmendare cupientes quo planeomis etas vsisz in consumationem seculi rideat et agnoscat quantum sit quantumisz honoris et fame inmortalis pariat principis sui fidem servasse inniolatam et incontussam. Nos non per errorem aut inprovide sed animo deliberato sanosz morum ac sacri Imperio principum Comitum Baronum et aliorum fidelium et subditorum morum accedente consilio ex certa sei encia nra et plenitudine Imperialis potestatis prefatum Opidum Mechlimen et cuis districtum acertvs temporibus vsos ni hanc diem solo Dominy titulo gauden in Nobilem et perpetuum Comitatum de Nous exeanimus extulimus sublimavimus ac pricuim tenore excamus effermius et sublimanius. Hoc Imperiali edicto decernen ut idem Maximilianus Romanorum Rex simul et Illustus Philippus Archidux Austrie Dux Burgundie Brabancie Gelrie &c Comes Flandrie Tirolis &c nepos me carissimus et comes et singuli corem heredes et descenden ad quos Legittimo successionis aut alio Iure pe districtus vnatum Opidi Mechliniense peruenerint hinc inantea futuris temporibus abomibus Comites Mechlinien reputari appellari teneri et honorari et upi serpos Comites Mechlinienses existvmare scribere et reputare Ipsi similiter acipii Opidum Mechlinen omibs dignitatibus honoribus Titulis furibus preheminentys et consuetudinibus gaudere et sini debeant quibus ceteri sacri Imperio Comites et coruni subditisieti sunt hactenus et cottidie poruntur et fenuntur Legibus Statutis municipalibus consuetudinibus et abys incontrariusucier non obstan quibusennis. Quo vero dictum oppidum Mechliense, caput districtus prefati, pro meritorum suorum erga nos et sacrum Romanum imperium magnitudine, benevolenciam, nostrae Cesaree celstudinis magis agnoscat, ejus solita insignia, videlicet scutum divionibus citrinis et rubeis secundum longum interscutum meliorare constituimus. Adjicientes eidem integram aquilam nigram, nulla sui parte minutam, sed cum extensis alis, tamquam ad volatum paratis figuratam, omni modo et forma quo eade Romanorum Regis uti consueve­runt. Itavt Ipsi Mechlinen eodem Stuto Aquilas prefata in medio  cuis collocata in Sigillis Annullis Clenodys ac omnibus publicis et prinatvs actibus vti antea facere consueverunt vti et fini potuerunt contradiction et impedimento cessan quoruminis. Nulle ergo omnio bonii Liceat hanc vire creacionis sublimacionis Exemonis meliocienis Armorum decreti et derogarienis paginani inserigere aut exquonis ansu temerario con traire sub pena vire indignacionis gravissima et Mille Marecutum auri puri quae contrafacien toriens quoriens contrafactum fuerit upo facto se nouerint veremissimiliter mansuros. Quaru medietatem Imperialis fiscisi­ne Exary Residuam vero partem ininziam passorum vsibus decernio applicari Primum sub nostre Imperialis Maestatis Sigilli appensidy testimonio Suarum. Dat in Opidonis Lynnitz die Decima Mensis January Anno dni Millesimoqua­drigentesimo Nonagesiomo Regnorum nostrorum Fornam Quinquagesimo Impery Tricesimo Octavo Hungarie vero Tricesimo primo.

Ad mandatum dni Imperatoris.

(Ar­chief van Mechelen, Oorkonde 293).

 

Wapendiploma van Albrecht van Saksen 19 augustus 1499

(Partim, naar Blok 1888 p. 52)

 

            Wir Maximilian .... Als wir hievor nach zeittigem Vorrate unnser und des heiligen Reichs Churfursten, Fursten und Stennde, so auf unnserm küniglichen Tag zu Freyburg im Briszgew in trefflicher Antzal bey unns versammelt gewesen sein, den hochgebornen Albrechten, Hertzogen zu Sachsen, lanndtgraven in Döringen und Marggraven zu Meyssen, unnserm lieben Oheimen und Fürsten, .... zu Gubernator unnd Potestaten über die Prelaten, Grafen, Edelen, Stedt, Commun unnd Einwohner des Lannde unnd Inseln Ostergew, Westergew, Sibenwalden, der Grunijnger Gebiete, Dutmarschen, Stranndfriesen, Wurstfriesen, Stellingwarff, unnd aller annder gegennten des Frieslannds .... das wir ... gegönnet unnd zugelassen haben .... in den Innsigeln, Secreten unnd Pettschafften, die sy in Hanndlungen und Sachen die Ausübung des obbestimmten Gubernats unnd Potestats beruerende gebrauchen unnd weiter nit, in Mitte bey den Zeichen unnd Schilden Ir Erblichen Lennden ein gelben oder goldfarben Schild, darijnnen aufrecht ein Swartzer Adler mit zwayen Haupten sich von einander kerend, yedes Haubt mit eynem Diadem mit seynen ausgebrayten Flugen und unnden in seynem Swanntz den Schild unnd Wappen der yetzberürten Frieszland, die sein mit namen: ein plaber Schild, darijnn ob einander Zwen gelb Leo mit Iren aufgeworffen Swenntzen zum geen geschickt, unnderhalb unnd oberhalb der berürten Leo in demselben Schilde ausgesprayet gelb spene, graben unnd machen lassen ..... Aschaffenburg, 19 Aug. 1499

 

Besluit van de Staten Generaal dd. 11 september 1578.

 

Resolu de faire  graver ung seel pour la Généralité; en sera ung lion grippant couronné, aiant en la patte droicte une espee, et la senestre dix sept fleches (signifiant les dix sept provinces) liée d'ung roulet, en sera escript CONCORDIA, estant la superscription du contre seel: SIGILLVM ORDINVM BELGII, com data 1578; et l'inscription du contre seel: VIRTVS VNITA FORTIOR avecq effigie d'une main sortant d'une nuée, et tenant le roulet; en sera escript: CONCORDIA, duquel dix sept flesches seront liées.

 

Besluit van de Staten Generaal van 27 juli 1662.

 

Nieuw Grootzegel.

In deliberatie gelirt synde, is goedgevonden en verstaen, dat een nieuw grootzegel van hun Staten Generaal der Vereenichde Nederlanden (met seven pijlen gemaackt is) gesneden sal (oock voortaan gebruyckt sal) worden, een op deselve groote als het grootzegel tot noch toe gebruyckt, t'welck tot een eeuwige gedachtenisse geseponeert en bewaert sal worden in de secrete kasse van h.m.

 

In de Nationale Vergadering van 25 September 1795 werd een door het comité van Marine aangeboden model van een nationale vlag aangenomen, en bij publicatie van dat lichaam, dd. 14 Februari 1796, vastgesteld, en op 1 Maart daaraanvolgend die vlag ingevoerd.

De voornaamste bepalingen zijn:

 

„Dat voortaan en in het toekomEnde de Nationale vlag van dezen staat zal zijn de gewoone en altoos in gebruik geweest zijnde Bataafsche of zoogenaamde Hollandse vlag, bestaamde in drie evenwijdige en horizontaale banden, van gelijke breedte, en van welke de bovenste rood, de middelste wit of ongekleurd, en de benedenste blauw gekleurd is; echter met dien verstande, dat, voor zoverre de Marine van den Staat aangaat, in den bovensten of rooden band van agteren op weinige, bijvoorbeeld 10, 12 of 14 duimen van de vlaggestok, zal worden ingezet een langwerpig vierkant wit geschilderd stuk, of zogenaamde Jack of Jeck houdende de lengte van een derde gedeelte der geheele vlag, en eene breedte, die omtrent 8, 10 of 12 duimen minder is dan die des rooden bands, waarin dit stuk wordt gezet, ten einde er bij het inzetten, zowel boven als beneden den Jack, een roode rand van gelijke breedte, en dus wel ter breedte van ongeveer 4, 5 of 6 duimen om het wit blijve.

Dat het geschilderde op dit ingezette stuk of de Jack zal bestaan in eene afbeelding van een Maagd in eene bevallige houding, op eenig loof of groen nederzittende, en houdende eene speer, waarop de hoed der vrijheid wordt gedragen, rechtstandig voor zig, met eene Hand vast en rustende met de andere op een schild, waarop de Romeinsche Bundel en Bijl afgebeeld zijn; terwijl aan hare voeten een Leeuw, in eene zittende of enigszins liggende gestalte, wordt verbeeld, zodat hij met de eene Voorpoot op den grond ruste, en met de andere Klaauw de reeds gemelde Speer, beneden de Hand der Maagd omvatte, als willende zorg draagen, dat men de Speer niet aan de Maagd ontrukke; voorts met een zijdwaarts gedraaiden Kop, en norsch grimmig gezicht, buitenwaards, en als naar buiten het Stuk omkijkende.

            Dat wat den zogenaamden Geus en den Wimpel betreft, enz.

            Dat voorts de Vice-Admiraals- zoowel als de Schouts-bij-Nachts-vlaggen zullen zijn eenkleurig rood wit of blaauw, naar den rang der officieren, enz.

            Eindelijk hebben wij al verder goedgevonden om te ordonneren en te statueeren, gelijk Wij doen bij deeze, dat voor zooverre de Koopvaardijvaart aangaat, de bovengemelde, of ook daar omschreeven gewoone Bataafsche of Hollandsche vlag zal zijn en blijven onveranderd en volkomen derzelve geheel; met uitdruklijk verbod aan een iegelijk, wien het zou mogen aangaan, om in meergemelde gewoone Hollandsche vlag eenige verandering te maaken, veel min zig van den bovengemelde Jack, welke tot een distinctief teeken voor ’s Lands Marine alleen en privativelijk geaffecteerd blijft, te bedienen, of ook eenig ander schilderwerk, als gebouwen, beelden, boomen of van welk eenen aart, zulks zoude mogen zijn, in hunnen vlaggen, geuzen of wimpels te brengen; op pene, dat dezulken, welke ter contrarie mogten handelen, niet als onder de vlag der Republiek vaarende zullen worden geconsidereerd, en dienvolgende ook daardoor ipso facto van alle protectie van wege ’s Lands Marine, van de gewoone Turksche of andere paspoorten, dienende tot beveiliging tegen de Barbarijsche of andere mogendheden, zullen zijn verstoken en ten eenenmale blijven gepriveerd, enz.”

 

Besluit van de Nationale Vergadering dd. 4 mei 1796.

 

Den 4 Mey 1796 Is gehoord het rapport van de bij decreten van 1 en 15 mt 11. gecommitteerden tot de zaken van de griffie houdende dat zij reeds bij den aanvang hunner werkzaamheden waren overtuigd geweest van de dringende noodzakelijkheid om het oude Zegel voor de Staten Gene­raal der Zeeven  Vereenigde Provincien gebruikt en den bundel met zeeven pijlen bevattende te doen remplaceeren door een ander meer overeenkoomende  met den aart dezer algemeene Nationale Vergadering respresenteeren­de het volk van Nederland; dat zij als nu de eer hadden eene tekening van hetzelve te exhiberen, bevattende het beeld der vryheyd, rustende op een autaar, en houdende in de andere hand de speer, met de hoed der vryheyd bekroond; terwijl aan de wederzijde van het autaar vertoond word de Nederland­sche WaterLeeuw, houdende de nieuwe Bataafsche Vlag in zijn klauw; En zijnde op het voetstuk van het altaar, tot de Zinnebeelden van de koophandel en Zeevaart een anker en Dolphijn met het randschrift Sigillum major en minus, Populi Batavi. En gedecreteerd, dat het oude zegel tot nu toe gebruik worden­de zal worden geremplaceerd door een ander overeenkomstig de geexhi­beerde teekening te maken, wordende de secretarissen te deezer over­eenkomstig gequalificeerd, om hier aan de Executie te geeven.

En zal extract deezes aan geme secretarissen worden ter hand gesteld tot dezelver informatie en naricht.

 

Besluit van 12 april 1802  95/23 Op prop e voordr gedaan aan t WL tot het bepalen van een wapen voor de Republiek.

Op het geproponeerde ter vergadering is dien conform besloten aan het Wetgevend Lighaam enen voordragt te doen om te statueren dat, met vernietiging van alle tot heden toe, op onderscheiden tijden, door het Hoogst Bestuur van dit Gemeene Best gebezigde wapens, zo van de Republiek der Vereenigde Nederlanden als van het Bataafsch Gemeenebest nu en voor het vervolg het wapen dezer Republiek zal bestaan in eenen staanden gouden leeuw op een rood veld, dragende ene gouden kroon op het hoofd en houdende in deszelfs Rechter Klaauw een zilver opgeheven Zwaard en in deszelfs Linker Klaauw enen bundel zilveren pijlen van een vrij talrijk doch onbepaald getal, en houdende wijders tot om­schrift de woorden Concordia Res Parvae Crescunt.-

 

Tractaat van Parijs dd. 24 mei 1806.

 

Art. 9.

"De Koninklijke Wapens zullen zijn de oude Wapenen van den Staat, gecarteleerd met den Franschen Keizerlijke Adelaar en gekroond met de Koninklijke Kroon."

 

Decreet n°  25 dd. 20 mei 1807.

 

LODEWIJK NAPOLEON, door de Gratie Gods en de Constitutie des Koning­rijks, Koning van Holland.

Nous avons decrété et decretons

 

Art. 1.

 

La Confection des armes Royales est ainsi qu'il suit.

Les armes Royales, en conformité de l'article 9 du traité de Paris de 24 Mai 1806, et de la Loi du 7 Aout dernier, sont les anciennes armes de l'Etat, ecartelées de l'aigle Impérial de France.

l'Ecu sera surmonté du casque, couronné de la couronne Royale et entourré du collier de l'Ordre Royal de la Hollande, portant sur la Ruban bleu céleste la Légende Eendracht maakt magt, avec un faisceau de flêches placé verticalement entre chaque syllabe de la dite Légen­de, en tout au nombre de trois, ainsi que de celui de la Legion d'honneur.

De chaque côté de l'ecu sera placé une Epée, la pointe haute, soutenue par un dextrochère armé de gantelet, & mouvant d'un nuage.

La sceptre Royal et le Baton de Justice seront placées en sautoir dernière l'écu et le tout enveloppé du manteau Royal.

 

Art. 2.

 

Les autoritées mentionnées ci après seront autorisées de se servir, dans leurs correspondances officielles, des Armes Royales, savoir:

Les Ministères.

Le Corps Legislatif.

Les Sections du Conseil d'Etat.

Les Cours de Justice.

La Chambre des comptes.

Les Directeurs Generaux.

Les Landdrostats.

Les Drostats

Les Administrations communales, ainsi que les Tribuneaux.

 

(Mais chacun de ces autoritée doit y ajouter en legende son nom et titre.)

 

Art. 3.

 

A L'exception des autorités anoncées dans l'article precedent, il ne sera permis à qui que se soit de se servir des Armes Royales sans notre autorisation speciale.

 

                                                    Louis.  

 

Staatsblad van 1814, N° 9.

 

BESLUIT van den 14den Januarij 1814, n° . 133, bepalende het Wapen van Zijne Koninklijke Hoogheid, den Heere Prinse van Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden, enz., enz., enz..

Wij, WILLEM, bij de gratie GODS, Prinse van Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden, enz., enz., enz.;

 Ten gevolge der ons opgedragene Souvereiniteit der Vereenigde Neder­landen, voegzaam en noodzake­lijk oordelende, om Ons Wapen in verband te brengen met de Wapenen der door Ons geregeerd wordende Landen.

 En willende overgaan tot de finale bepaling van al hetgene tot deze materie betrekkelijk is;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1. Het Wapen, zoo door Ons, als door Onze mannelijke en vrouwe­lijke nakomelingen te voeren, zal bestaan in een in vieren gedeeld Schild, hetwelk in het eerste en vierde deel of Kanton zal houden het Nederlandsche Wapen, zijnde, op een veld van keel: een klimmende Leeuw van goud, gekroond met eene Koninklijke kroon van hetzelfde metaal, geklaauwd en getongd van azuur, houdende in de regter voorklaauw een opgeheven Zwaard, en in de linkervoorklaauw een bundel pijlen, terwijl voorts het tweede en derde kanton in zich zal bevatten de Wapenenen van den Vorstendomme en Huize van Oranje, en in het midden van het geheele Schild gedekt zal worden met een sur le tout, houdende het Wapen van Ons Huis en geslacht Nassau, en zulks onder de volgende bepalingen.

 2. Wij alleen, en achtereenvolgens Onze Successeuren, Prinsen en Prinsessen van Oranje-Nassau, Souvereine Vorsten of Vorstinnnen der Vereenigde Nederlanden, zullen voeren en dragen de voorge­schreven volle Wapenen, zonder eenige breuke.

 3. Bij onzen oudsten Zoon en Erfopvolger, alsmede bij alle de oudste Zonen en Erfopvolgers Onzer Successeuren in der tijd, zal het thans door Ons bepaalde Wapen worden aangenomen en gevoerd, edoch gebroken en chef met een barensteel of lambel van azuur met drie pendants.

 4. Onze tweede Zoon zal hetzelfde Wapen voeren, gebroken en chef, met een barensteel of lambel van azuur met vier pendants.

 5. En zoo het Gode behagen mogt, Ons nog meerdere Zonen te schenken, zal het gemelde Wapen, gebroken als voren, ook door hen gevoerd worden, met dit onderscheid alleenlijk, dat de pendants der barensteel of lambel van azuur zullen moeten vermeerderen naar gelang van hun getal; zoo dat Onze derde Zoon dit voere met vijf pendants, en zoo vervolgens.

 6. Voorschreven barenstelen of lambeaux zullen, met opzigt tot de hoeveelheid van derzelver pendants, in de takken onzer Zonen, respec­tivelijk, blijven voortduren; met dien verstande nogtans, dat, ieder in den zijnen, daarop, tot onderscheiding van jongere geboorte in dezelve takken, zal mogen en moeten stellen zoodanige bijzondere teekenen, als gevonden zal worden te behooren.

 7. Het door Ons aangenomen Wapen zal mede gevoerd worden door Onze oudste Dochter, en door de oudste Dochters onzer Successeuren in de Souvereiniteit; edoch gebroken met een barensteel of lambel van azuur, met drie pendants, en op de middelste dezer pendants eene gouden Koninklijke Kroon.

 8. Onze verdere Dochters en de jongere Dochters onze Successeuren in de Souvereiniteit, zullen mede het door Ons aangenomen Wapen, met een barensteel of lambel van azuur gebroken, voeren, mits stellende eene Koninklijke Kroon op het eerste en op het derde der drie pendants.

 9. Wat betreft de Dochteren van alle onze jongere Zonen, of derzel­ver Descententen zonder onderscheid, dezelve zullen Wapenen en Breuken voeren, gelijk aan die van hare Vaders, mits hare wapenen, zoo lang zij ongehuwd zijn, stellende op een ruitvormig schild of lozange.   10. Alle onze wettige Descendenten, zoo wel Mannelijke als Vrouwelij­ke, zullen, tot dekking hunner wapenschilden, de Koninklijke Kroon, en tot tenants of schildhouders de Gekroonde Leeuwen behouden.

 11. Het tegenwoordige besluit zal, op de gewone wijze, worden gepu­bliceerd en geïnsereerd in het Staatsblad, zullende tevens aan de hoofden der verschillende takken van publiek bestuur een genoegzaam aantal afdrukken van het, bij art. 1 omschreven Wapen worden toegezon­den, ten einde de bij hun voor de publieke dienst te gebruiken cachet­ten, dien overeenkomstig te doen vervaardigen, met dien verstande, dat ieder op het voor zijne administratie bestemde cachet de benaming dier administratie vermelde.

 Gegeven te 's Gravenhage, den 14den Januarij 1814, en van onze Regeering het Eerste.

 

(geteekend)              WILLEM.

Ter ordonnantie van zijne Koninklijke Hoogheid,

De algemeene Secretaris van Staat,     

(geteekend)          A.R. Falck.

 

 

 

Staatsblad van 1815, N°  46.

 

BESLUIT van den 24 Augustus 1815, nr. 71, waarbij het Rijkswapen wordt vastge-steld.

 

 Wij WILLEM, bij de Gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz..

 Bij gelegenheid der vereeniging van alle de Nederlandsche Provinciën tot één Koningrijk, het Rijks wapen willende vaststellen;

 Hebben besloten en besluiten:

Art.1. Het wapen van het Koningrijk der Nederlanden, zoowel als van Ons en Onze Successeuren, Koningen der Nederlanden, zal bestaan in Ons aangeboren Geslachtswapen van Nassau, zijnde een klimmende Leeuw van goud, getongd van keel, op een veld van Azur, bezaaid met gouden blokken, welk wapen wij als nu vermeerderen door te bepalen, dat de Leeuw zal zijn gekroond met eene Koninklijke Kroon, en dat hij in den regter voorklaauw een opgestoken zwaard houden zal, en in den linker een bundel pijlen met gouden punten, de punten omhoog en de pijlen met een gouden lint te zamen gebonden.

 2. De Prinsen van Oranje, Kroonprinsen der Nederlanden, zullen het Rijkswapen voeren, gevieren­deeld met de wapenen van het Prinsdom van Oranje, zodanig als Wij die tot dus verre gevoerd hebben; terwijl de oudste Zoon van den Prins van Oranje hetzelfde wapen als zijn vader zal voeren, doch gebroken met een barensteel van keel met drie stukken of pendants.

 3. De tweede Zoon des Konings zal het Rijkswapen voeren, gebroken en chef met een barensteel van keel in drie stukken en een gouden pijl op dezelve.

 4. De oudste Dochter van den Koning zal mede het Rijks wapen voeren, doch gebro­ken met een barensteel van keel van drie stukken en op het middelste eene gouden Koninklijke kroon.

 5. Aan de jongere Zonen en Dochters des Konings wordt insgelijks het Rijkswapen met een barensteel van keel van drie stukken toegewezen, doch voorzien van zoodanige verdere teekenen of brisures als in der tijd zal worden bepaald.

 6. de jonge Zonen en de Dochteren des Prinsen van Oranje, als mede de verdere kleinzonen en kleindochteren des Konings, voeren het Rijkswa­pen, gebroken met een barensteel van vijf stukken, onder bijvoeging van zoodanige teekenen als in der tijd voor ieder hunner zal worden bepaald.

 7. Alle Onze wettige Descendenten, zoo vrouwelijke als mannelijke, zullen, tot dekking hunner wapenschilden de Koninklijke Kroon en tot schildhouders of tenants twee gekroonde Leeuwen voeren.

 8. Wij behouden voor Ons en Onze mannelijke Descendenten het devies Je Maintiendrai en het aloude Nassausche helmteken of Cimier, zijnde twee uit eenen gouden kroon zich verheffende Olifantstrompen van Azur, met gouden blokken bezaaid, tussen welke de ongekroonde gouden leeuw zit.

 Gegeven in 's Gravenhage, den 24 Augustus des jaars 1815, het Tweede van Onze Regering.

(geteekend) WILLEM

Van wege den Koning

(geteekend) A.R.Falck.

 

10 Augustus 1816 N°  95

 

Wij WILLEM, bij de Gratie Gods KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, enz. enz. enz.

 

OP de voordragt van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 6 dezer n  43, met betrekking tot de door den Gouverneur van Oostvlaanderen geuiten wensch van de Staten dier provincie, dat voor dezelve een provinciaal wapen wierde vastgesteld.

            Hebben ghoedgevonden en verstaan te bepalen, zoo als geschiedt bij dezen dat, het provinciaal wapen van Oostvlaanderen zal bestaan uit het wapen van Oost en Westvlaanderen, voorstellende een zwarten Leeuw op een goud veld, met die verandering en bijvoeging, dat de voormalige Graaflijke Kroon worde weggelaten en daar en tegen een gedeelte van het Schild van 'rijks wapen met de daarop behoordende Koninklijke Kroon, boven het genoemde provinciale wapen uitsteke en zulks met de omschrijving flandria Orientalis.

            En zullen afschriften dezer worden gezonden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken ten fine van executie en aan den Hoogen raad van Adel, tot informatie.

's Hage den 10 Aug. 1816.

WILLEM

 

K.B. van den 9 Oct 1816 Nr  102

 

Wij WILLEM, bij de Gratie Gods, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, enz., enz., enz.,

  Op het rapport van Onzen Minister v. Binn Zaken in dato 9 sept 1816 N  83 ten geleide der bij hem ingekomene voordragten van de Staten van West-Vlaanderen en Antwerpen omtrent de zamenstelling der Provinciale Wapenen,

  Gezien de consideratien en het advies van den Hoogen Raad van Adel van 16 September 1816. N  566/133

  Hebben goedgevonden en verstaan de zamenstelling der Provinciale Wapenen te bepalen in manière als volgt:

Voor de Provincie West-Vlaanderen.

  Parti, het eerste deel gegironneerd van Lazuur en goud van twaalf stukken, en coeur een schild van Keel. Het tweede van goud, beladen met een klimmenden leeuw van Sabel, getongd en genageld van Keel, (zijnde Vlaanderen). En chef het opperste gedeelte van 's Rijks=Wap­en. Het schild gedekt met de Nederlandsche Graven Kroon en hebbende tot onderschrift: West-Vlaanderen.

Voor de Provincie Antwerpen.

  Parti, het eerste deel van Keel, beladen met een burgt, hebbende van boven ter wederzijde eene uitgestrekte hand, alles van zilver, en chef van Goud, beladen met den Roomschen Rijks arend (zijnde Antwer­pen). Het tweede van goud, beladen met drie palen van Keel, waarop een surtout van goud, beladen met een arend van sabel, gebekt en ge­klaauwd van Keel (zijnde Mechelen). En chef, het opperste gedeelte van s'Rijk­swapen, en en pointe van zilver, beladen met een pal van lazuur (zijnde Turnhout). Het schild gedekt met de Nederlandsche Graven Kroon.

Een en andere volgens de aan deze resolutie geannexeerde teekeningen.

  Welk alles zal worden gebracht ter kennisse van den Hoogen Raad van Adel ter informatie en van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, ter narigt voor welgemelde Staten,

's Hage 9 October 1816

WILLEM      

 

Bevestiging van de Hoge Raad van Adel dd. 19 augustus 1830.

 

Vanwege de Koning.

"De Hooge Raad van Adel gebruik makende van de macht aan denzelve verleend bij besluit van 20 Febr. 1816, bevestigd bij dezen aan de provincie Drenthe ingevolge het door den gouverneur gedaan verzoek, het bezit van het navolgend wapen.

"Een schild van goud, beladen met een Mariabeeld, houdende het kind Jezus op de linkerknie en gekroond van goud, zittende in een gotischen tempel, mede van goud. Het schild gedekt met een hertogelijken kroon.

Gedaan te 's Gravenhage, den 19en Augustus 1830.

(geteekend) A.C. Baron Snouckaert van Schauburg.

Presideerende ter ordonnantie van den Raad.

(get.) C. Chais, Secretaris.

 

Grondwet van het Koninkrijk België.

 

TITEL VI

Algemeene Bepalingen.

 

Art. 125. De Belgische natie voert als kleuren: rood, geel en zwart, en als Rijkswapen, den Belgische Leeuw met de spreuk: EENDRACHT MAAKT MACHT.

 

17 Mars 1837 Arrêté qui détermine le sceau de l'État (Bull. off., n. CXXVII).

 

Léopold, etc. Vu l'art. 125 de la constitution;

Sur le rapport de notre Ministre de l'Intérieur et des Affaires étrangères,

               Nous avons arrêté et arrêtons:

            Art. 1er. Les dessins, approuvés par nous et annexés au présent arrêté, contenant les armes du royaume, serviront comme types du grand et du petit sceau de l'État.

            Art. 2. Nos Ministres sont chargés, chacun en ce qui concerne, de l'exécution du présent arrêté.

 

GRAND SCEAU DE L'ÉTAT.

 

            De sable, au lion d'or, armé et lampassé de gueules, l'écu timbré d'un heaume ou casque d'or, bordé, damasquiné, taré de front, ouvert et sans grilles, fourré de gueules et sommé d'une couronne royale d'or, aux lambrequins d'or et de sable; l'écu entouré du collier de l'ordre de Léopold, accompagné de deux sceptres d'or passés en sautoir, à dextre, à la main de justice, et à senestre au lion de l'écu.

            Supports deux lions léopardés au naturel, tenant chacun une bannière d'or, frangée de même, tiercée en pal de sable, d'or et de gueueles.

            Le tout posé sous un pavillon de gueules herminé, bordé, frangé, houppé et cordonné d'or avec la couronne royale en comble, d'ou issent deux bandelettes d'argent bordées et houppées d'or.

            Derrière le pavillon et au-dessus, un panonceau ondoyant au couleurs de Belgique, chargé de l'écusson de Brabant, semblable à celui du royaume, lequel panonceau est accosté des bannières des huit autres provinces; savoir:

            A dextre   De Liège, qui est écartelé, au premier, de gueules au perron d'or de trois degrés, soutenu de trois lionceaux accroupis et surmonté d'une pomme de pin, le tout d'or, qui est de la principauté de Liège; au deuxième, de gueules à la fasce d'argent, qui est du duché de Bouillon; au troisième d'argent, à trois lions couronnés de sinop­le, qui est du marquisat de Franchimont; au quatrième, burelé d'or et de gueules de dix pièces, qui est du comté de Looz. Enté en pointe, d'or à trois huchets de gueules enguichés et virolés d'argent, qui est du comté de Hornes.

            2° Flandre-Orientale. D'or au lion de sable armé et lampassé de gueules.

            3° Flandre-Occidentale, mi-parti, au premier, d'or gironné d'azur de six pièces à l'écusson de gueules en abime; au deuxième, d'or au lion au lion de sable armé et lampassé de gueules.

            4° Anvers, mi-parti, au premier, de gueules à trois tours, deux et une, entretenues par trois courtines, les deux tours de face, surm­ontées de deux mains, l'une en bande et l'autre en barre, le tout d'argent, maçonné et appaumé de sable, au chef de l'Empire, qui est du marquisat du St. Empire; au deuxième, d'or, à trois pals de gueules, à l'écusson d'or posé en abime, chargé d'une aigle éployée de sable, qui est de la seigneurie de Malines; terminé en plaine sous le tout, d'argent au pal d'azur, qui est de la seigneurie de Turnhout.

            A senestre: 1° Hainaut, écartelé au premier et quatrième d'or au lion de sable armé et lampassé de gueules: au deuxième et troisième d'or, au lion de gueules armé et lampassé d'azur.

            2° Limbourg, d'argent au lion de gueules, à la queue fourchue en sautoir, armé, lampassé et couronné d'or.

            3° Luxembourg, d'argent, à cinq fasces d'azur, au lion de gueules, à la queue fourchue, couronné d'or, brochant sur le tout.

            4° Namur, d'or, au lion de sable armé et lampassé de gueules, au bâton de gueules brochant sur le tout.

            Devise. L'union fait la force (Eendragt maekt magt) en lettres d'or sur un ruban de gueules liseré de sable.

 

Petit Sceau de l’Etat.

           

            De sable au lion d'or armé et lampassé de gueules, sommé de la couronne royale d'or fourrée de gueules aux bandelettes d'argent bordées et houppées d'or.

            L'écu entouré du collier de l'ordre de Léopold, accompagné de deux sceptres d'or posés en sautoir, à dextre, à la main de justice, et à senestre, au lion de l'écu.

            Devise: L'union fait la force (Eendragt maekt magt) en lettres d'or sur un ruban de gueules liseré de sable.

 

Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 14 april 1858

 

MINISTERIE VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN

 

DE MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN

 

            Gelet op de Resolutie der Staten 's Lands van Utrecht van den 23sten November 1705, alsmede op 's Konings beschikking van den 18den Maart 1858, N  67

            Bevestigd de Provincie Utrecht bij het navolgende wapen: zijnde een gevierendeeld schild, het eerste en vierde deel van keel met een kruis van zilver, het tweede en derde deel van goud met eenen leeuw van keel, getongd en geklaauwd van lazuur; met een middenschild tranché van zilver en keel.

Het schild gedekt met eene kroon van vijf fleurons en ter wederzijde gehouden door eenen leeuw Léopardé van goud.

 

's Gravenhage den 14den April 1858

 

De Minister voornoemd 

 

(Van Rappard)

 

K.B. dd. 27 december 1886, N°  26.

 

Wij Willem III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

 

            Beschikkende op het aan Ons ingediende verzoekschrift van de Provinciale Staten van het Hertogdom Limburg, om de verleening van een nieuw wapen voor dit Hertogdom, volgens daar van overgelegd model;

            Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 23 December 1886 1e afd. A. N  95;

            Hebben goedgevonden en verstaan:

            aan het Hertogdom Limburg te verleenen het navolgende wapen, zijnde een gevierendeeeld schild, het eerste kwartier in zilver een van goud gekroonde en geklauwde leeuw van keel met dubbelen staart (Valkenburg), het tweede kwartier in goud een van keel getonmgde en geklauwde ongekroonde leeuw van sabel (Gulik), het derde kwartier in goud drie horens van keel, geplaatst twee en een, en voorzien van banden van zilver (Horn), het vierde kwartier in azuur een leeuw van goud met dubbelen staart, getongd van keel, gekroond en geklauwd van goud (Gelderland vóór 1371); over alles heen een hartschild van zilver beladen met een van goud gekroonden en geklauwden leeuw van keel met dubbelen staart (Limburg), het schild gedekt met den Limburgschen hertogelijke hoed of kroon.

            Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Het Loo, den 27 December 1886.

WILLEM     

De Minister van Justitie,

 

Groothertogelijk Besluit van 29 Juli 1898.

 

Wir Adolph, von Gottes Gnaden Großherzog von Luxemburg Herzog von Nassau &a &a

 

haben Uns aus Veranlassung des Anfalls des Großherzogtums Luxemburg an den Nassau Walram'schen Stamm bewogen gefunden

1. anzuordnen daß das bis hierher geführte Nassauische Hauswappen in der Weise eine Umgestaltung erfahre, wie sie aus der hier angeschlos­senen Abbildung im Zusammenhange mit der ebenwohl beigefügten Be­schreibung des Wappens ersichtlich ist, und

2. in Unserer Eigenschaft als derzeitiger Chef des Nassauischen Hauses hiermit zu verfügen daß fortan das so umgestaltete Wappen an Stelle des seitherigen von allen dazu berechtigten Mitgliedern Meines Hauses geführt wurde.

            Mit dem weiteren Vollzüge dieses Meines Erlasses beauftragen Wir andurch Unseren Oberkammer­herrn und Wirklichen Geheimrath Heinrich Freiherrn von Hadeln.

            Urkundlich Unserer Allerhöchsteigenhändigen Unterschrift und das beigedrückten Siegels

             gegeben zu Schloß Hohenburg den 29 Juli 1898.

 

ADOLPH

 

 

BESCHREIBUNG

DES NASSAUISCHEN HAUSWAPPENS

____________________________________________

 

Der Schild ist durch dreimalige Theilung und dreimalige Spaltung in sechzehn Felder getheilt von denen die vier innern /: 6.7.10.11:/ den Mittelschild bilden. Dieser ist geviert:

1 und 4 das Stammwappen Nassau: In blauen mit gelben Schindeln be­streuten Felde ein gelb gekrönter gelber Löwe.

2 und 3 das Wappen des Großhertzogthums Luxemburg. In einen von weiß und blau neunmal gehteilten Schilde ein gelb gekrönter rother Löwe.

Im Hauptschild sind vier Gruppen angeordnet und zwar

            a. zur Erinnerung an die ältere Weilburger Linie die drei Felder:

1. Saarbrücken: In blauen, mit gelben unten zugespitzten Kleeblatt­kreuzchen bestreuten Felde ein gelb gekrönter weißer Löwe

2. Merenberg: In Grün ein von je drei gelben Kreuzchen bewinkelter gelber Schragen.

3. Weilnau: In Gelb zwei rothe schreitende Leoparden übereinander.

            b. zur Erinnerung an die ältere Saarbrücker Linie die vier Felder:

4. Moers: In Gelb ein schwarzer Balken.

8. Saarwerden: In Schwarz ein gelb bewehrter weißer Doppeladler.

12. Lahr: In Gelb ein rother Balken.

16. Mahlberg: In Gelb ein roth gekrönter schwarzer Löwe.

            c. zur Erinnerung an den Ottonischen Stamm die drei Felder:

5. Catzenelnbogen: In Gelb ein rother Leopard.

9. Dietz: In Roth zwei gelbe schreitende Leoparden übereinander.

13. Vianden: In Roth ein weißer Balken

d. zur Erinnerung an die durch die letzte Burggräfin zu Kirchberg, Luisa Gemahlin des Fürsten Friedrich Wilhelm zu Nassau Weilburg an das Haus gefallene Grafschaft Hachen­burg die zwei Felder:

14. Kirchberg: In Weiß drei schwarze Pfähle.

15. Sayn: In Roth ein gelber Leopard.

 

Helme: In der Mitte rechts der Helm von Nassau (Walramischen Stammes), links der von Luxemburg. Nach rechts schließen sich die Helme von Saarbrücken und Moers, nach links die von Dietz und Sayn an, entspre­chend den vier Gruppen im Hauptschilde. Wir folgen mithin von rechts nach links.

1. Moers: Gekrönt. Gelber Windspielerkopf mit schwarzem, weiß einge­faßtem Halsband mit weißem Ring - Decken: schwarz-gelb.

2. Saarbrücken: Weiß und schwarz getheilter Flug. Decken: schwarz-weiß.

3. Nassau: Roth gekrönter, gelber, sitzender Löwe zwischen zwei blauen, mit gelben Schindeln bestreuten Hörnern. - Decken: blau-gelb.

4. Luxemburg: Schwarzer Flug. Decken: blau-weiß.

5. Dietz: Schwa­rzer Flug belegt mit einer runden Sch­eibe, auf welcher in Roth den gel­ben Leoparden des Schildes - Decken: gelb-roth.

6. Sayn: Gekrönt. Gelber orientalischer Spitzhut. Decken: roth-gelb. 

 

Schildhalter: Zwei auf gelben Ranken stehende, rückwärts schauende gelbe Löwen mit heraldischen Kronen.

 

            Das Ganze umgibt ein mit hermelin gefüttertes, mit gelben Fransen und Schnüren verziertes, purpurrothes Wappenzelt mit der Königskrone.

 

___________________________________

 

K.B. van 23 mei 1907 N°  43.

 

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

            Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 18 Mei 1907, Afdeeling A.S. No. 300.

            Gezien het besluit der Staten van Noord-Holland dd. 20 November 1906 No. XX, houdende wijziging (vermeerdering) van het wapen dier provincie;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

met bekrachtiging van voormeld besluit, te bepalen, dat de provincie NOORD-HOLLAND, voortaan eene wapen zal voeren, onderscheiden van dat der provincie ZUID-HOLLAND, en dat de beschrijving daarvan zal luiden als volgt: gedeeld, I. in goud een leeuw van keel, getongd en gena­geld van azuur (HOLLAND); II. in azuur, bezaaid met liggende gouden blok­jes, twee gaande en aanziende leeuwen van hetzelfde, boven elkan­der geplaatst (WESTFRIESLAND); het schild gedekt met eene vijfbladige gouden kroon.

            Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

            Het Loo, den 23 Mei 1907

WILHELMINA

De Minister van Justitie,

 

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden N°  181.

 

Besluit van den 10den Juli 1907, houdend nadere vaststelling van het wapen van het Koninkrijk der Nederlanden, alsmede van de andere leden van het Koninklijk Huis.

 

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.,

Hebben goedgevonden en verstaan:

met intrekking van het Koninklijk Besluit van 24 Augustus 1815 (­Staatsblad n°  46) te bepalen:

 

Artikel 1.

Het wapen, dat door het Koninkrijk der Nederlanden, zoowel als door Ons en Onze opvolgers, Koningen der Nederlanden, zal worden gevoerd, is: in azuur, bezaaid met staande blokjes van goud, een klimmende rechtsgewende leeuw van goud, gekroond met eene kroon van drie bladen en twee parelpunten van hetzelfde, getongd en genageld van keel, in den rechtervoorklauw houdende in schuinlinkschen stand een ontbloot Romeinsch zwaard van zilver, met gevest van goud, en in den linker een bundel van zeven pijlen van zilver, met punten van goud, de punten omhoog, en de pijlen te zamen gebonden met een lint van goud.

 

Artikel 2.

De Prins van Oranje, vermoedelijk erfgenaam van de Kroon, zal dit wapen voeren, gevierendeeld met het navolgende: gevierendeeld, I en IV in keel een schuinbalk van goud (Châlons), II en III in goud een jachthoorn van azuur, gesnoerd en geopend van keel, beslagen van zilver (Oranje), en op het snijpunt dezer kwartieren een hartschild geschaakt in negen vakken, vijf van goud en vier van azuur (Genève).

De oudste zoon van den Prins van Oranje zal ditzelfde wapen voeren, gebroken door een barensteel van drie hangers van keel, over alles heen geplaatst.

 

Artikel 3.

De andere mannelijke en vrouwelijke leden van het Koninklijk Huis zullen het in artikel 1 omschreven wapen voeren met zoodanige wijzi­ging als door ons zal worden bepaald.

 

Artikel 4.

Wanneer de door het Koninkrijk, door Ons of Onze opvolgers en door de overige leden van n het Koninklijk Huis gevoerde wapens van hunnen uitwendige versierselen worden voorzien, zullen die uit de navolgenden toevoegsels of uit eenige dezer bestaan:

a. tot dekking van het wapenschild de Koninklijke Kroon, gelijk aan die, welke door wijlen Zijne Majesteit Koning Willem I op Zijn wapen­zegel is gevoerd geworden;

b. twee heraldische leeuwen en profil van goud, ongekroond, getongd en genageld van keel, als schildhouders;

c. het devies: "Je maintiendrai" in Latijnsche letters van goud op een lint van azuur.

 

Artikel 5.

Het door het Koninkrijk en door Ons of Onze opvolgers gevoerde wapen kan worden geplaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd van hermelijn, opgebonden met koorden eindigende in kwasten, geboord van goud, en gedekt door een baldakijn van purper, geboord van goud en dragende de Koninklijke Kroon, gelijkvormig aan die bedoeld in artikel 4, sub a.

De overige leden van het Koninklijk Huis kunnen, met weglating van den baldakijn, hunne wapens plaatsen op denzelfden mantel, gedekt door de Koninklijke Kroon, gelijkvormig aan die bedoeld in artikel 4, sub a.

 

Artikel 6.

De mannelijke leden van het Koninklijk Huis zullen, in plaats van met de Koninklijke Kroon, hun wapenschild mogen dekken met een helm, getralied en gesierd van goud, gevoerd van keel, met dekkleden van goud en azuur, en gekroond met eene kroon van drie bladen en twee parelpunten van goud, uit welke als helmteeken oprijst een vlucht van sabel beladen met een gewelfden schuinbalk van zilver, waarop drie lindebladen van sinopel, met de stelen omhoog.

Wij behouden Ons voor aan de in artikel 3 bedoelde mannelijke leden van het Koninklijk Huis, bij de vaststelling van hunne wapens, te vergunnen aan den helm een of meer andere toe te voegen.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit be­sluit, dat in de Staatscourant en in het Staatsblad zal worden ge­plaatst.

 

Het Loo, den 10den Juli 1907

WILHELMINA.   

De Minister van Justitie

R.E. van Raalte.

Uitgegeven den achttienden Juli 1907.

De Minister van Justitie.     

R.E. van Raalte.       

   

K.B. van 15 juli 1920 N° 78

 

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

            Beschikkende op het aan Ons gerichte verzoekschrift van Provinci­a­le Staten van Noord-Brabant, om die provincie te bevestigen in het gebruik van het door haar gevoerd wapen;

            Gelet op het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 December 1814, N  32 en op het Koninklijk besluit van 23 April 1919, Staats­blad N  181;

            Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 12 Juli 1920, Eerste Afdeeling A N  883;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

de provincie Noord-Brabant te bevestigen in het gebruik van het vroeger gevoerde wapen, zijnde:

in sabel een leeuw van goud, getongd en genageld van keel; het schild gedekt met de hertogelijke kroon van goud, gevoerd van keel met hermelijnen opslagen; schildhouders: twee gouden leeuwen, getongd van keel.

            Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

            Het Loo, den 15 Juli 1920

WILHELMINA

 

De Minister van Justitie,

 

K.B. van 10 october 1935, N°  45.

 

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau enz., enz., enz.

            Beschikkende op het aan Ons gericht request van Gedeputeerde Staten der Provincioe Gelder­land, daartoe gemachtig door de Staten dier Provincie, om bevestiging van het wapen dezer Provincie;

            Gelet op het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 December 1814, N  32 en op het Koninklijk besluit van 23 April 1919, Staats­blad N  181;

            Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 5 October 1935, Eerste Afdeeling A., N  855;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

de Provincie Gelderland te bevestigen in het gebruik van het volgende wapen:

Gedeeld:

I. in azuur een omgewende, dubbelstaartige leeuw van goud, gekroond van hetzelfde en getongd en genageld van keel.

II. in goud een leeuw van sabel, getongd en genageld van keel.

            Het schild gedekt met de hertogelijke kroon van goud, gevoerd van keel met hermelijnen opslagen.

            Schildhouders: twee leeuwen van goud getongd en genageld van keel.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit be­sluit.

Het Loo, den 10 October 1935

(get.) WILHELMINA

De Minister van Justitie,

(get.) Van Schaik.

 

K.B. van 28 Februari 1947 nr. 56

 

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods. Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

            Beschikkende op het tot Ons gerichte request van Gedeputeerde Staten der provincie Zuidho­land, daartoe gemachtigd door de Staten dier provincie, om bevestiging in het gebruik van het door deze provincie gevoerde wapen;

            Gelet op het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 December 1814, No. 32, en op het Koninklijk besluit van 23 April 1919, Staatsblad No. 181;

            Gehoord den Hoogen Raad van Adel;

            Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van 20 Februari 1947, Afdeeling Binnenlandsch Bestuur, Bureau Bestuurszaken, No. 1673;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

de provincie Zuidholland te bevestigen in het gebruik van het door haar gevoerde wapen, waarvan de beschrijving luidt als volgt:

            In goud een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur

            Het schild gedekt met eene gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en ter wederzijde gehouden door een leeuw van keel.

            Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Coll.He.

Soestdijk, den 28 Februrai 1947

                                                          WILHELMINA

 

de minister van binnenlandsche zaken,

(get.) witteman

 

K.B. van 30 December 1947 nr. 21.

 

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nasau, enz., enz., enz.

            Beschikkende op het aan Ons gericht request van Gedeputeerde Staten der provincie Groningen, daartoe gemachtigd door de Staten dier provincie, om bevestiging in het gebruik van het door deze provincie gevoerde wapen;

            Gelet op het besluit van de Souvereine Vorst van 24 December 1814, N  32, en op het Koninklijk Besluit van 23 April 1919, Staatsblad N  181;

Gehoord de Hoge Raad van Adel;

            Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 19 December 1947, No. 1672, afdeling Binnenlands Bestuur, Bureau Be­stuurszaken;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

de provincie Groningen te bevestigen in het gebruik van het volgende wapen:

            Gevierendeeld: I en IV, in goud een dubbele adelaar van sabel, dragende op zijn borst een schildje van zilver, beladen met een dwarsbalk van sinopel;

            II en III, in zilver drie linker schuinbalken van azuur, vergezeld van elf schuingeplaatste harten van keel 1,4,4,2.

            Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladerenb en vier paarlen en terwederzijde gehouden door een leeuw van goud.

            Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Coll.He.

amsterdam, 30 December 1947

(get.) WILHELMINA.

de minister van binnenlandse zaken,

(get.) witteman

 

K.B. van 4 December 1948 N  4.

 

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

 

            Beschikkende op het verzoekschrift van Gedeputeerde Staten der provincie Zeeland, daartoe gemachtigd door de Staten dier Provincie, om bevestiging in het gebruik van het door deze provincie gevoerde wapen;

            Gelet op het besluit van de Souvereine Vorst van 24 December 1814, N  32, en op het Koninklijk Besluit van 23 April 1919, Staatsblad N  181;

            Gehoord de Hoge Raad van Adel;

            Op de voordracht van Onze Minister van Binnelandse Zaken van 29 November 1948, N  21560, afdeling Binnenlands Bestuur, Bureau Be­stuurszaken;

 

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

 

de provincie Zeeland te bevestigen in het gebruik van het volgende wapen:

            Golvend doorsneden:

I. van goud, beladen met een ten halve uit de baren naar boven komende leeuw van keel, getongd en genageld van azuur;

II. golvend gedwarsbalkt van zes stukken van azuur en zilver.

            Het schild gedekt door een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en ter wederzijde gehouden door een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur.

            Wapenspreuk: LUCTOR ET EMERGO, in letters van sabel op een wit lint.

            Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Soestdijk, 4 December 1948

(get,)  JULIANA.

de minister van binnenlandse zaken,

(get.) J.H. van MAARSEVEEN.

 

WARTA RASMI

 

Negara Sumatera Timur

 

(Staatscourant Sumatera Timur)

 

1949 No. 68.

 

Verdordening vaststelling embleem der Negara Sumatera Timur

 

DE WALI NEGARA VAN SUMATERA TIMUR

 

Doet te weten:

 

                        Dat hij, willende overgaan tot vaststelling van een embleem der Negara Sumatera Timur;

 

            Gelet op de in de vergadering van de Voorlopige Raad van Sumatera Timur van 22 Janu-ari 1948 genomen beslissing;

 

            In overeenstemming met de Vertegenwoordigende Raad van Sumatera Timur;

 

HEEFT GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

 

Artikel 1.

 

            Het embleem van de Negara Sumatera Timur wordt gevormd door een tak met drie sirihbladeren omkranst door tualangbladeren, een en ander als aangegeven in de bij deze verodening behorende tekening.

 

Artikel 2.

 

            Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam van „Verordening vaststelling embleem der Negara Sumatera Timur”.

 

Artikel 3.

 

            Deze Verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van haar afkondiging en werkt terug tot 22 Januari 1948.

 

            En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, zal deze in de Staatscourant Sumatera Timur worden geplaatst.

 

Gedaan te Medan, 14 December 1949.

 

De Wali Negara van Sumatera Timur,

 

T. Dr. Mausoer

 

De Algemeen Secretaris,

 

G.A.F.A. Bouricius

 

Uitgegeven, de 20ste December 1949.

 

De Algemeen Secretaris,

 

G.A.F.A. Bouricius

 


 

WARTA RASMI

 

Negara Sumatera Timur

 

(Staatscourant Sumatera Timur)

 

1949 No. 69.

 

Verdordening vaststelling standaard van de Wali Negara van Sumatera Timur.

 

DE WALI NEGARA VAN SUMATERA TIMUR

 

Doet te weten:

 

            Dat hij, willende overgaan tot vaststelling van de standaard van de Wali Negara van Sumatera Timur;

 

            Gelet op de in de vergadering van de Voorlopige Raad van Sumatera Timur van 22 Januari 1948 genomen beslissing;

 

            Nog gelet op de „Verordening vaststelling embleem der Negara Sumatera Timur” (Staatscouran Sumatera Timur 1949 No. 68);

 

            In overeenstemming met de Vertegenwoordigende Raad van Sumatera Timur;

 

HEEFT GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

 

Artikel 1.

 

            De standaard van de Wali Negara van Sumatera Timur bestaat uit:

 

                        een rechthoekige vlag van een lengte gelijk aan aanderhalf maal  de breedte, gevormd door twee hroizontale banen van gelijke breedte van boven naar beneden gezien in de kleuren geel en groen,   in het midden dragende het embleem van de Negara Sumatera Timur, een en ander als aangegeven in de bij deze verordening behorende tekening.

 

Artikel 2.

 

            Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam van „Verordening vaststelling standaard van de Wali Negara Sumatera Timur”.

 

Artikel 3.

 

            Deze Verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van haar afkondiging en werkt terug tot 22 Januari 1948.

 

            En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, zal deze in de Staatscourant Sumatera Timur worden geplaatst.

 

Gedaan te Medan, 14 December 1949.

 

De Wali Negara van Sumatera Timur,

 

T. Dr. Mausoer

 

De Algemeen Secretaris,

 

G.A.F.A. Bouricius

 

Uitgegeven, de 20ste December 1949.

 

De Algemeen Secretaris,

 

G.A.F.A. Bouricius

 

K.B. van 6 mei 1950, nr. 7.

 

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oeranje Nassau, enz., enz., enz.

           

Gezien het schrijven van Gedeputeerde staten der provincie Over­ijssel, d.d. 16 Augustus 1949, 4e afdeling nr. 14255, houdende het verzoek een wapen voor deze provincie vast te stellen;

            Gelet op het besluit van de Souvereine Vorst van 24 December 1814, nr. 32, en op het Koninklijk besluit van 23 april 1919, Staats­blad nr. 181;

 

            Gehoord de Hoge Raad van Adel;

           

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 28 april 1950, nr. 35644, afdeling Binnenlands Bestuur, bureau Bestuurs­zaken;

 

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

 

            de provincie Overijssel te bevestigen in het gebruik van het tevoren gevoerde wapen, waarvan de beschrijving luidt als volgt:

            In goud een golvende dwarsbalk van azuur; over alles heen een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur.

            Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en aan weerszijden gehouden door een leeuw in natuurlijke kleuren.

            Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Soestdijk, 6 mei 1950

(get.) JULIANA.

 

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN,

(get.) TEULINGS.

K.B. van 11 februari 1958 Nr  18.

 

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

            Op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvor­ming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie

van 29 januari 1958, nummer 22638, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Bestuurszaken, Bureau Kabinetszaken; Friesland d.d. 9 juli 1957, om bevestiging in het gebruik van het door de Provincie Fries­land gevoerde wapen;

            Gelet op het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, nummer 32, en het Koninklijk besluit van 23 april 1919 (Stb. 181);

            De hoge Raad van Adel gehoord;

 

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

 

de Provincie Friesland te bevestigen in het gebruik van het wapen waarvan de beschrijving luidt als volgt:

"In azuur twee gaande, boven elkaar geplaatste leeuwen van goud, vergezeld van zeven liggende blokjes van hetzelfde, geplaatst 2:2:3.

Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en gehouden door twee leeuwen van goud".

            Onze voornoemde Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Grindelwald, 11 februari 1958

(get.) JULIANA

de minister van binnenlandse zaken

bezitsvorming en publiekrechtelijke

bedrijfsorganisatie,

(get.) STRUYCKEN

 

K.B. van 30 december 1959 N°  15

 

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

            Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken

van 21 december 1959, Nr. 28599, Directie Binnenlands Bestuur, Afde­ling Bestuurszaken, Bureau Kabinetszaken;

            Gezien het verzoek van Gedeputeerde Staten der Provincie Zuidhol­land van 6 juli 1959 tot toevoeging van een wapenspreuk aan en tot aanvulling van de beschrijving van het wapen dier provincie;

            Gelet op het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, Nr. 32 en op het Koninklijk besluit van 23 april 1919 (Stb. Nr 181);

            De Hoge Raad van Adel gehoord;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN

de beschrijving van het wapen der provincie Zuid Holland, in het gebruik waarvan die provincie bij Koninklijk Besluit van 28 februari 1947, Nr 56, werd bevestigd, zal luiden als volgt:

            "In goud een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur.

            Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en ter wederzijde gehouden door een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur.

            Wapenspreuk: "Vigilate Deo Confidentes" in latijnse letters van keel op een lint van goud".

            Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Soestdijk, 30 december 1959

(get.) JULIANA

de minister van binnenlandse zaken,

 

 

GOUVERNEMENTSBLAD

VAN

NEDERLANDS-NIEUW-GUINEA

1961 No. 68

LANDSVLAG van Nederlands

Nieuw-Guinea

„Landsvlagordonnantie”.

 

IN NAAM DER KONINGIN!

 

DE GOUVERNEUR

VAN NEDERLANDS -NIEUW-GUINEA

 

 

In overweging genomen hebbende:

dat de Nieuw-Guinea Raad overeenkomstig het in artikel 111° van de Bewindsregeling  Nieuw-Guinea gegeven recht tot het indienen van voorstellen tot vaststellen van ordonnanties, een voorstel heeft gedaan tot vaststelling van een ordonnantie betreffende een landsvlag van Nederlands-Nieuw-Guinea,

 

Heeft, de Raad van Diensthoofden gehoord en in overeenstemming met de Nieuw-Guinea Raad, vastgesteld onderstaande ordonnantie:

 

Artikel 1.

 

1. De landsvlag van Nederlands-Nieuw-Guinea is een rechthoek bestaande uit een verticale rode baan aan de zijde van de vlaggestok, en zeven horizontale blauwe banen gescheiden door zes witte banen. In het midden van de rode baan bevindt zich een witte vijfpuntige ster waarvan één punt vertikaal omhoog wijst. De vijf uiteinden van de ster vormen elk een hoek van 36°.

 

2. De hoogte en de lengte van de vlag staan to elkaar in de verhouding 2:3.

De breedte van de rode baan bedraagt twee vijfden van de hoogte van de vlag.

De blauwe en witte banen zijn alle even hoog. De middellijn van de omschreven cirkel van de ster is zeven achtsten van de breedte van de rode baan.

 

3. De gouverneur bepaalt de aard van de kleuren van de vlag.

 

Artikel 2.

 

Het gebruik van de landsvlag naast de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden geschiedt overeenkomstig de bepalingen van een Vlagbesluit, vast te stellen bij besluit houdende algemene maatregelen.

 

Artikel 3.

 

Deze ordonnantie, welke kan worden aangehaald als „Landsvlagordonnantie” treedt in werking met ingang van 1 december 1961.

 

Gegeven te Hollandia, de 18de november 1961.

 

De Gouverneur van Nederlands-Nieuw-Guinea,

PLATTEEL

 

De Gouvernementssecretaris,

 

A. LOOSJES.

Uitgegeven de 20ste november 1961.

 

De Gouvernementssecretaris

A. LOOSJES.

 

(Besluit van de Gouverneur van Nederlands-Nieuw-Guinea van 18 november 1961 No. 362.)

 

 

 

L E M B A R A N   D A E R A H   C HU S U S   I B U – K O T A

D J A K A R T A   R A J A

 

1963                 N° 6

 

Dewan perwakilan rakjat daerah gotong rojong daerah chusus

ibu-kota djakarta raja

 

menetapkan peraturan daerah sebagai berikut:

 

peraturan daerah untuk menetapkan lambang

daerah chusus ibu-kota djakarta raja.

 

Pasal 1.

            Lambang Daerah Chusus Ibu-Kota Djakarta Raja adalah sebagai berikut:

            Lukisan Parisai segi lima jang didalamnja melukiskan gerbang terbuka.

            Didalam gerbang terbuka itu terdapat „Tugu Nasional” jang dilingkari oleh untaian (krans) padi dan kapas. Sebuah tali melingkan pangkal tangkai2 padi dan kapas.

            Padi bagian atas pintu gerbang tertuklis sloka „Djaja Raja”, sedang dibagian bawah persisai terdapat lukisan ombak-ombak laut.

            Pinggiran Perisai digarrisi tebal dengan warna mas.

            Gerbang terbuka bagian atas berwarna putih, sedang huruf-huruf sloka „Djaja Raja” jang tertulis diatasnja berwarna merah.

            „Tugu Nasional” berwarna putih.

            Untaian (krans) padi berwarna kuning dan untaian (krans) kapas berwarna hidjau serta putih.

            Ombak-ombak laut berwarna dan dinjatakan dengan garis-garis putih, kesemuanja ini dilukisatan atas dasar jang berwarna biru.

Pasal 2.

            Lambang sebaigamana dilukiskan pada pasal 1., dapat diperketjil sedemikian rupa, sehingga dapat dilukiskan pada kepala surat, tjap Daerah Chusus Ibu-Kota Djakarta Raja, tanda djasa bagi pegawai dan lain-lain.

Pasal 3.

(1)               Peraturan ini mulai berlaku pada hari diundangkan dan berlaku surut sampai pada tgl. ditetapkannja.

(2)               Mulai tanggal tersebut dalam ajat (1), tidak berlaku lagi „Peraturan untuk menetapkan Lambang Kotapradja Djakarta Raja” dari tanggal 16 April 1951 (TBN tanggal 15 Agustus 1962 N° 66).

                        Djakarta, 30 Djuni 1962

 

                        Dewan Perwakilan Rakjat Daerah

                        Gotong Rojong tsb.,

 

Ketua    

 

M.Husin Wk.

 

            Diundangkan di djakarta

            pada tanggal 26 Djuni 1963

gubernur kepala daerah chusus

ibu-kota djakarta raja,

 

dr. soemarno sosroatmodjo

Brigadir Djendral T.N.I.

 

 

LEMBARAN DAERAH PROPINSI

SUMATERA SELATAN

 

    1969                                                                                                             SERI A       N°. 2

 

DEWAN PERWASILAN RAKJAT

DAERAH GOTONG ROJONG

PROPINSI SUMATERA SELATAN

      _________

 

 

PERATURAN DAERAH PROPINSI SUMATERA SELATAN

N  4 / DPRDGR-SS / 1968

 

tentang

 

LAMBANG PROPINSI SUMATERA SELATAN

_________

 

DEWAN PERWAKILAN RAKJAT DAERAH GOTONG ROJONG

PROPINSI SUMATERA SELATAN

 

MENETAPKAN PERATURAN DAERAH PROPINSI SUMATERA SELATAN

TENTANG LAMBANG DAERAH PROPINSI SUMATERA SELATAN

 

KETENTUAN DAN ARTI LAMBANG

 

Pasal 1.

 

(1). Lambang Daerah Propinsi Sumatera Selatan berbentuk prisai dengan warna dasar hidau muda dengan garis pinggir kuning.

(2). Turisan SUMATERA SELATAN BERSATU TEGUH, artinja kesatuan jang bulat dari selumah rakjat dalam daerah Propinsi Sumatera Selatan.

(3). Didalam terdapat lukisan jang merapakan unsurunsur lambang se berikat:

            a. ATAP RUMAH SUMATERA SELATAN:

Atap rumah berwarna merah dan melambangkan keaslian banggunan Sumatera Selatan Atap rumah ini terdiri atas 17 djang, delapan baris genung dan 15 buah genteng jang melambangkan Hari Proklamasi Kemerde­aan Republik Indonesia 17 Augustus 1945.

            b. BUNGA TERATAI:

            Bunga Teratai berwarna kuning emas dengan lima lembar kelopak, berarti:

            1. melambangkan keadilan keberanian;

2. Sumatera Selatan dalah bagian dari Republik Indonesia kesatuan jang berdasarkan Pantja Sila.

            c. BATANG HARI SEMBILAN:

Batang hari sembilan adalah djagah nama lain dari pada Sumatera Selatan karena mempunjai 9 Sungai.

            d. DJEMBATAN AMPERA:

Djembatan Ampera ini merupakan tjiri chas Sumatera Selatan, karena merupakan suatu djembatan angkat jang terpandjang di Indonesia.

            e. GUNUNG:

Gunung mentjerminkan bahwa Sumatera Selatan djuga terdiri dari daerah pegunungan.

 

KETENTUAN - WARNA

 

Pasal 2.

 

(1). Dasar lambang berwarna hidjau muda;

(2). Garis pinggir berwarna kuning;

(3). Atap rumah berwarna merah;

(4). Kembang teratai berwarna kuning emas;

(5). Tulisan: SUMATERA SELATAN berwarna putih;

(6). Batang hari berwarna biru laut;

(7). Gunung berwarna hijau muda;

(8). Batanh hari sembilan berwarna biru muda.

 

ARTI - WARNA

 

Pasal 3.

 

(1). Warna putih berarti toleransi/Sutji;

(2). Warna kuning emas berarti luhur/agung;

(3). Warna merah berarti keperwiraan/berani;

(4). Warna hidjau berarti kesuburan/kemakmuraan;

(5). Warna biru berarti kesetiaan.

 

Pasal 4.

 

Perbandingan ukuran lambang adalah sebagai tertjantum dalam gambar lambang Daerah Propinsi Sumatera Selatan terlampir jang perbandingan ukuran antara wadah dan lukisan-lukisan dalam wadah gambar lambang itu serasi satu sama lain sesuai kebutuhannja.

 

PENGGUNAAN LAMBANG DAERAH:

 

Pasal 5.

 

(1). Lambang Daerah dipasang pada:

a. Rumah-rumah Dinas tingkat Propinsi dan Kabupaten dalam Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

b. Dalam ruangan kerdja Gubernur Kepala Daerah Propinsi Sumatera Selatan dan Wakil Gubernur Kepala Daerah Propinsi Sumatera Selatan. Ketua DPRD GR Propinsi Sumatera Selatan, anggota Badan Pemerintah Harian Propinsi Sumatera Selatan. Sekretaris Daerah Propinsi Sumatera Selatan dan Kepala-kepala Dinas Propinsi Sumatera Selatan.

c. Gedung-gedung jang dipergunakan oleh Pemerintah Daerah Propinsi Sumatera Selatan, Kantor-kantor Dinas Daerah Pro­pinsi Sumatera Selatan.

(2). Ukuran lambang Daerah termaksud dalam ajat (1) harus sesuai dengan besar ketjilnja gedung-gedung dan ruangan-ruangan tersebut dengan mempirhatikan perimbangan ukuran sebegaimana dimaksud dalam pasal 4.

(3). Bilamana pada tempat-tempat atau benda dimaksud ajat (1) menurut peraturan perundang-undangan jang berlaku harus memakai lambang Negara maka besarnja Lambang Daerah seperti tersebut dalam ajat (2) tidak boleh melebihi ukuran besarnja Lambang Negara dimaksud.

 

Pasal 6

 

(1). Dengan memperhatikan perbandingan ukuran sebagai dimaksud dalam pasal 4 Lambang Daerah boleh dibuat demikian rupa, sehingga dapat dilukiskan dan digunankan:

A. Dalam bentuk kepala surat pada:

a. Lembaran Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

b. Idjazah-idjazah, surat-surat keterangan, tanda djasa/penghargaan oleh atau atasnama Pemerintah Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

c. Buku-buku, madjalah-madjalah dan penerbitan lannja jang dikeluarkan oleh Pemerrintah Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

B. Sebagai tjap dinas dari Dewan Perwakilan Rakjat Daerah Gotong Rojong Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

C. Sebagai tanda kenderaan, tanda-tanda milik lainnja dari Daerah  Propinsi Sumatera Selatan.

 

(2). Warna lambang Daerah termaksud dalam ajat (1) dapat dipakai satu warna.

 

(3). Surat-surat lannja dari Pemerinta Daerah Propinsi Sumatera Selatan dapat memakai Lambang Daerah jang ukuran bentuk dan warnanja sesuai seperti tersebut pada ajat (1) dan (2).

 

Pasal 7.

 

(1). Lambanmg Daerah dalam bentuk Lentjana dipakai setjara perseorang oleh:

            a. Pedjabat-pedjabat Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

            b. Anggota-anggota DPRD-GR Propinsi Sumatera Selatan.

            c. Pegawai-pegawai Daerah Propinsio Sumatera Selatan.

 

(2). Dengan surat keputusan Gubernur Kepala Daerah dapat ditentukan bahwa bentuk Lentjana tersebut ajat 1 diatas dapat berbeda dengan bentuk lambang dan dapat mengambil hanja sebahagian dari lukisan jang terdapat dalam lambang.

 

Pasal 8.

 

(1). Lambang Daerah dalam bentuk Padji mempergunakan dasar hijau.

 

(2). Lambang Daerah dalam bentuk Pandji dapat dipergunakan

a. Oleh rombongan kesenian, kebudajaan leolah-ragaan dan sebagainja djika mewakili Daerah Sumatera Selatan atau dimana daerah Propinsi Sumatera Selatan ada hubungannja.

b. Dalam upatjara-upatjara resmi jang diselenggarakan oleh Pemerintah Daerah Propinsi maupun oleh Dinas-dinas Daerah Sumatera Selatan.

Pasal 9.

 

(1). Dilarang mempergunakan Lambang Daerah jang bertentangan dengan ketentuan dalam Peraturan Daerah ini.

 

(2). Pada Lambang Daerah dilarang menaruh huruf, kalimat, angka, gambar atau tanda-tanda lainnja.

 

(3). Dilarang menggunakan Lambang Daerah sebagai Tjap Dagang Reklame perdagangan atau propaganda Politik dengan tjara pappun besertas penggunaan Lambang Daerah jang merendahkan kedudukannja sebagai Lambang Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

 

Pasal 10.

 

Lambang untuk persorangan, perkumpulan, organisasi atau perusahaan Swasta tidak belah sama atau pada pokoknja menjerupai Lambang Daerah Propinsi Sumatera Selatan.

 

Pasal 11.

 

(1). Barang siapa melamggar ketentuan-ketentuan tersebut dalam pasal 9 dan 10 dihukum dengan hukuman kurungan setinggi-tingginja 6 (enam) bulan, atau denda sebanjak-banjaknja Rp. 10.000,- (Sepulu ribu rupi­ah).

 

(2). Perbuatan tersebut dalam ajat (1) pasal ini adalah pelanggaran.

 

KETENTUAN PENUTUP

 

Pasal 12

 

Peraturan Daerah ini disebut: PERATURAN DAERAH TENTANG LAMBANG DAERAH PROPINSI SUMATERA SELATAN, dan mulai berlaku pada saat diundangkan.

 

 

Ditetapkan di: Palembang

Tanggal: 16 Desember 1968

Dewan Perwakilan Rakjat Daerah

 

Gubernur Kepala Daerah                                                                          Gotong Rojong Propinsi

Propinsi Sumatera Selatan                                                                                   Sumatera Selatan

 

 

(ASNAWI MANGKU ALAM).                                                (Drs. A. ZAIDAN DJAUHARY)

 

 

Disjahkan:

Diundangkan:                                                                         Keputusan Menteri Dalam Negeri

Pada tgl. 1 April 1969                                                          tgl. 24-2-1969 N  Pemda 10/5/47-48.

   Sekretaris Daerah                                                                    Direktur Pemertintah Daerah,

          tjap / dto                                                                                          tjap / dto

 

(Drs. SARUFI GANAP).                                                            (Drs. MACHMUDDIN NOOR).


 

 

GRAND DUCHÉ DE LUXEMBOURG

 

LOI SUR LES EMBLEMES NATIONAUX

 

Mémorial A-N°  51       16 aôut 1972

 

Adopté à l'unanimité par la Chambre des Députés dans sa séance du 18 mai 1972.

 

NOUS JEAN, PAR LA GRACE DE DIEU, GRAND DUC DE LUXEMBOURG, DUC DE NASSAU, ETC., ETC., ETC.;

Notre Conseil d'État entendu

De l'assentiment de la Chambre des Députés;

Vu la décision de la Chambre des Députés du 18 mai 1972 et celle du Conseil d'État du 8 juin 1972 portant qu'il n'y a pas lieu à second vôte;

 

Avons ordonné et ordonnons:

 

Art. 1er. Les armoiries du Grand-Duché de Luxembourg sont à trois échelons:

a) petites armoiries,

b. moyennes armoiries,

c) grandes armoiries.

 

Art.2. Les armoiries désignées à l'article 1er ci dessus se composent des éléments héraldiques suivants:

a) petites armoiries:

Burelé d'argent et d'azur de dix pièces au lion rampant de gueules, couronné, armé et lampassé d'or, la queue fourchue et passé en sau­toir.

Timbre: La couronne grand-ducale non doublée.

b. moyennes armoiries:

Les petites armoiries augmentées des supports: Deux lions d'or et couronnées du même, la tête contournée (regardants), armés et lam­passés de gueules, la queue fourchue et passé en sautoir.

c) grandes armoiries:

Les moyennes armoiries augmentées du ruban et de la croix de l'Ordre national de la couronne de chêne passés autour de l'écu; le tout posé sur un manteau: de gueules doublé d'ermine, bordé, frangé, cordonné et houppé d'or, sommé de la couronne grand-ducale non doublée.

 

Art. 3. Le drapeau national se compose d'une laize de tissus aux proportions de 5 à 3 ou de 2 à 1, comportant trois bandes égales de couleurs rouge, blanche, bleue disposées horizontalement.

 

Art. 4. Le pavillon de la batellerie et de l'aviation se compose d'une laize de tissus aux proportions de 7 à 5 comportant un burelé d'argent et d'azur de dix pièces au lion rampant de gueules, orienté vers la hampe, couronné, armé et lampassé d'or, la queue fourchue et passé en sautoir. La description du revers correspond à celle de l'avers.

 

Art. 5. Les originaux des planches, tant en couleur qu'en noir et blanc, des armoiries de l'État, et, en couleur, du drapeau national et du pavillon de la batellerie et de l'aviation, sont déposés aux archives de l'État.

 

Art. 6. Le livre II, titre III, chapitre VI du code pénal est complété par un article 232bis libellé comme suit:

((Art. 232 bis. Seront punis d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de cinq cent à dix mille francs, ou d'une de ces peines seulement, ceux qui auront fait usage à des fins non autorisés des armoiries de la Maison grand-ducale, de celles de l'État et des communes, du drapeau national, du pavillon de la batellerie et de l'aviation, ainsi que tous écussons, emblèmes et symboles utilisés par les autorités et par les établissements publics.

Il y a usage non autorisé des armoiries et symboles visés notamment lorsqu'il est fait

a) à des fins frauduleuses

b) à des fins commerciales, industrielles, professionelles ou publici­taires, sauf dans les cas prévus par les lois et règlements, ou autorisés par le Gouvernement.))

 

Art. 7. Les nouvelles armoiries à créer par des autorités publiques et la modification des armoiries existants devront être agréées et enregistrées par le ministre d'État, president du Gouvernement.

 

Art.8. Le ministre d'État pourra instituer une commission, apellée commission héraldique de l'État, dont il désignera les membres.

 

Mandons et ordonnons que la présente loi soit insérée au Mémorial pour être executée et observée par tous ceux que la chose concerne.

Château de Berg, le 23 juin 1972.

JEAN                 

Le Ministre d'État

Président du Gouvernement

Ministre des Finances

 

Pierre Werner

 

Le Ministre des Transports et de l'Energie

 

Marcel Mart

 

Le Ministre de la Justice

 

Eugèn Schaus.   

 

K.B. van 19 augustus 1972 N°  19

 

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnelandse Zaken a.i. van 10 augustus 1972, nr. B72/2224, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Wetgeving en Bestuurszaken;

 

Gezien het verzoek van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 18 juli 1972, nr. 30/11.2332, afdeling 4, tot wijziging van het wapen van die provincie;

 

Gelet op het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, nr. 32 en het Koninklijk besluit van 23 april 1919, Stb. nr. 181;

de Hoge Raad van Adel gehoord;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN;

a. het besluit van de Hoge Raad van Adel van 19 augustus 1830, waarbij het wapen der provincie Drenthe bevestigd werd, in te trekken;

b. aan de provincie Drenthe een wapen te verlenen, waarvan de be­schrijving luidt als volgt:

"In goud, zittende op een gouden troon, Maria van natuurlijke kleur met een gouden kroon van drie lelies en gekleed in een gewaad van keel waaroverheen een mantel van azuur, houdende in de rechterhand een gouden scepter, uitlopend in een lelie en houdende op de linkerknie het zittende Kind Jezus van natuurlijke kleur, gekleed van zilver.

Het schild gedekt met een van keel gevoerde kroon van vijf bladeren, vier parels en drie diademen en gehouden door twee leeuwen van goud, getongd en genageld van keel."

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Porto Ercole, 19 augustus 1972

(get.) JULIANA

de minister van binnenlandse zaken

(get.) W.J. GEERTSEMA

 

 

Koninklijk Besluit van 23 april 1980, no. 3, Stb. 206, tot het voeren van het Koninklijk wapen

 

"Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassua, enz., enz., enz.

Hebben besloten en besluiten:

Met intrekking van Onze Besluiten van 10 juli 1907 (Stb. 181) en van 13 juli 1909 (Stb. 217) te bepalen als volgt:

 

artikel 1

Het wapen, dat door het Koninkrijk der Nederlanden, zowel als door Ons en Onze opvolgers, Koningen der Nederlanden, zal worden gevoerd, is:

in azuur, bezaaid met blokjes van goud, een leeuw van goud, gekroond met een kroon van drie bladeren en twee parelpunten van hetzelfde, getongd en genageld van keel, in de rechtervoorklauw opgeheven houden­de in schuinlinkse stand een zwaard van zilver met gevest van goud en in de linker- een bundel van zeven pijlen van zilver met punten van goud, de pijlen te zamen gebonden met een lint mede van goud.

 

Artikel 2

Aan het in het vorige artikel omschreven wapen kunnen de navolgende uitwendige versierselen worden toegevoegd:

a. tot dekking van het schild de Koninklijke kroon gelijk aan die welke tot dusverre door de Koningen der Nederlanden is gevoerd;

b. als schildhouders twee leeuwen van goud, getongd en genageld van keel;

c. het devies "Je maintiendrai' in Latijnse letters van goud op een lint van azuur.

 

Artikel 3

Het in artikel 1 omschreven wapen, voorzien van zijn uitwendige versierselen kan worden geplaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd met hermelijn, opgebonden met koorden eindigende in kwasten, beide van goud, en gedekt door een baldakijn van purper, geboord van goud en dragende de Koninklijke kroon.

 

Artikel 4

Onze mannelijke opvolgers, Koningen der Nederlanden, zullen in plaats van met de Koninklijke kroon, hun wapenschild mogen dekken met een helm, getralied en gesierd van goud, gevoerd van keel, met dekkleden van goud en azuur en gekroond met een gouden helmkroon van drie bladeren en twee parelpunten; helmteken: een vlucht van sabel beladen met een gewelfde schuinbalk van zilver waarop drie lindebla­deren van sinopel, met de stelen omhoog.

 

Artikel 5

Na de troonsafstand hernemen Wij het door Hare Majesteit Koningin Wilhelmina in het jaar 1909 voor Ons als Prinses der Nederlanden vastgestelde wapen, zijnde: gevierendeeld: I en IV het in artikel 1 omschreven wapen (Nassau-Nederland), II en III in goud een jachthoorn van azuur, gesnoerd en geopend van keel, beslagen van zilver (Oranje); een hartschild van goud met een aanziende stierenkop met afgerukt halsvel van sabel, gehoornd van zilver, getongd van keel en gekroond met een gouden kroon van drie bladeren (Mecklenburg).

 

Artikel 6

Aan het in artikel 5 omschreven wapen kunnen de navolgende uitwendige versierselen worden toege­voegd:

a. tot dekking van het schild de Koninklijke kroon;

b. als schildhouders: rechts een leeuw van goud, getongd en genageld van keel, links een griffioen van goud, getongd van keel en genageld van goud.

Dit wapen voorzien van zijn uitwendige versierselen kan worden ge­plaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd met hermelijn, opgebonden met koorden eindigende in kwasten, beide van goud, gedekt door de Koninklijke kroon.

 

Artikel 7

Waar in Koninklijke Besluiten wordt verwezen naar de Koninklijke Besluiten van 10 juli 1907 (Stb.181) en van 13 juli 1909 (Stb. 271) wordt deze verwijzing geacht te geschiedenen naar dit besluit.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad, in de Nederlandse Staatscourant en in het Publikatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden ge­plaatst.   

 

 

K.B. van 4 juli 1986 N°  63

 

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 1986, nr. B86/701, directo­raat-generaal Binnenlands Bestuur;

Gezien het verzoek van gedeputeerde staten van Flevoland van 19 februari 1986, nr. CdK-115, tot verlening van een wapen aan deze provincie;

Gelet op het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, nr. 32 en het Koninklijk besluit van 23 april 1919, Stb. nr. 181;

De Hoge Raad van Adel gehoord;

 

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN;

 

Aan de provincie Flevoland een wapen te verlenen, waarvan de beschrij­ving luidt als volgt:

"Golvend doorsneden van azuur en zilver en over alles heen een zee­leeuw, golvend doorsneden van goud en azuur, getongd en genageld van keel en houdende in de rechtervoorklauw een lelie van zilver. Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladerern en vier parels en gehouden door twee leeuwen van goud, getongd en genageld van keel."

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

's-Gravenhage, 4 juli 1986

(get.) BEATRIX

de minister van binnenlandse zaken,

(get.) R.W. DE KORTE.

 

 

 

Belgisch Staatsblad 15.XI.1990

 

DEUTSCHSPRACHIGE GEMEINSCHAFT

D 90 - 2842     -

 

1. OKTOBER 1990. - Dekret betreffend die Einführung des Festtages,

des Wappens und der Fahne der Deutschsprachigen Gemeinschaft

-

            Der Rat der Deutschsprachigen Gemeinschaft hat das Folgende angenommen und Wir, Executive, sanktionieren es:

Artikel 1. Die Deutschsprachige Gemeinschaft feiert ihren Festtag jedes Jahr am 15. November.

Art. 2. Die Deutschsprachige Gemeinschaft führt folgendes Wappen:

            In Silber ein roter Löwe begleitet von neun blauen Fünfblättern, von einer Königskrone überhöht.

            Die Fahne der Deutschsprachigen Gemeinschaft zeigt auf weißem Grund einen roten Löwen, begleitet von neun blauen Fünfblättern.

            Die Farben der Deutschsprachigen Gemeinschaft sind weiß und rot in waagrechter Stellung.

Art. 3. Die Fahne der Deutschsprachigen Gemeinschaft wird am 15. November an den öffentlichen Gebäuden im deutschsprachigen Gebiet Belgiens, außerhalb dieses Gebietes an den Gebäuden aufgezogen, die aufgrund ihrer Tätigkeit der Deutschsprachigen Gemeinschaft zugerech­net werden können oder ihr zweitweilig zur Verfügung stehen.

            Im deutschsprachigen Gebiet Belgiens wird sie an Amtsgebäuden außerdem unter den gleichen Bedingungen und an den gleichen Tagen wie die belgische Nationalfahne aufgezogen.

 

            Wir fertigen das vorliegende Dekret aus und ordnen an, daß es durch das Belgische Staatsblatt veröffentlicht wird.

 

            Gegeben zu Eupen, den 1. Oktober 1990.

Der Vorsitzender der Executive der Deutschsprachige Gemeinschaft

J. MARAITE

Der Gemeinschaftsminister für Unterricht, Ausbildung, kulturelle Animation und Medien,

B. FAGNOUL

Der Gemeinschaftsminister für Jugend, Sport, Erwachsenenbildung und Soziales,

M. GROSCH

 

Belgisch Staatsblad 6.XII.1990

 

Decreet houdende vaststelling van het wapen, de vlag, het volkslied en de feestdag van de Vlaamse gemeenschap.

 

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en wij, Executieve, bekrachtigen hetgeen volgt:

Artikel 1. Dit decreet regelt een in artikel 59bis van de Grondwet bedoelde aangelegenheid.

Art. 2. De Vlaamse Gemeenschap heeft een wapen, een vlag, een volks­lied en een feestdag.

Art. 3. De Vlaamse Gmeenschap heeft als wapen: in goud een leeuw van sabel, geklauwd en getongd van keel.

Art. 4. De vlag van de Vlaamse gemeenschap is geel met een zwarte leeuw, rood geklauwd en getongd.

Art. 5. Het volkslied van de Vlaamse Gemeenschap bestaat in de eerste twee strofen van de «De Vlaamse Leeuw» op tekst van Hippoliet van Peene en muziek van Karel Miry.

Art. 6. De feestdag van de Vlaamse Gmeenschap is 11 juli.

Art. 7. Het decreet van 13 april 1988 tot vaststelling van het wapen, de vlag, het volkslied en de feestdag van de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven.

Art. 8. Dit decreet treedt in werking op 16 oktober 1990.

Konigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

 

Brussel, 7 november 1990

 

De Gemeenschapsminister van Cultuur, De Voorzitter van de Vlaamse Executieve

P. DEWAEL    G.GEENS

 

Moniteur Belge - 15.11.1991

 

F. 91 - 3325

3 Juillet 1991

Décret déterminant le jour de fête et les emblèmes propres à la Communauté française de Belgique

-

            Le Conseil de la Communauté française a adopté et Nous, Exécutif, sanctionnons ce qui suit:

            Article 1er. La fête de la Communauté française de Belgique est célébrée chaque année le 27 septembre.

            Art 2. Les armoiries de la Communauté française sont d'or au coq hardi de gueules; elles sont représentées conformément au modèle figurant en annexe 1 du présent décret. Le coq hardi de ces armoiries peut être utilisé isolément comme symbole de la Communauté.

 

            Art. 3. Le sceau de la Communauté française porte le coq hardi de ses armoiries avec la légende « COMMUNAUTE FRANÇAISE DE BELGIQUE ». Cette légende est inscrite entre deux filets dans le sens des aiguil­les d'une montre conformément au modèle figurant en annexe 2 du présent décret.

            Art. 4. Le drapeau de la Communauté française est jaune au coq hardi rouge.

            Conformément au modèle figurant en annexe 3 du présent décret, ce drapeau a les proportions deux: trois; le coq hardi est inscrit dans un cercle non apparent dont le centre coïncide avec celui du tablier, dont le diamètre est egal au guindant et dont la circonférence passe par les extrémités des pennes supérieures et inférieures de la queu et par l'extrémité de la patte levée.

            L'horizontalité du coq est déterminé par une droite non apparente joignant le sommet de sa crête à l'extrémité de la penne supérieure de la queue.

 

[Art.s. 5 - 7]

 

            Promulgeons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur Belge.

 

Bruxelles, le 3 juillet 1991.

Le Ministre-Président de l'Exécutif de la Communauté française,

chargé de la Culture et de la Communication

V. FEAUX

Le Ministre de l'Enseignement, de la Formation, du Sport

du Tourisme et des Relations internationales,

            J.-P. GRAFE

Le Ministre de l'Education et de la Recherche scientifique,

Y. YLIEFF

Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé,

F. GUILLAUME

 

REPÚBLICA DEMOCRÁTICA DE TIMOR LESTE

PARLAMENTO NACIONAL

 

LEI No     2007

SÍMBOLOS NACIONAIS

 

1. Descrição do emblema nacional:

 

a) A insígnia do emblema é constituído por uma circunferência bordejada por 2 aros, paralelos, reproduzidos a vermelho-rubro;

b) Na parte superior da área existente enbter os 2 aros é reproduzida, a vermelho-rubro e em fundo branco, a inscripção, REPÚBLICA DEMOCRÁTICA DE TIMOR LESTE, que preenche o espaço que vai da parte inferior do lado esquerdo à parte inferior do lado direito do Monte Ramelau, e, na parte inferior, é reproduzida a sigla RDTL;

c) O centro da circunferência inferior é reproduzido em fundo branco;

d) Sobre of fundo branco do centro da circunferência interior, é reproduzida a insígnia do Monte Ramelau, pintada a vermelho-rubro, na parte periférica, e a preto na parte centra, sendo esta contornada por uma linha reprodizida a amarelo-dourado;

e. A insígnia do Monte Ramelau referida na alínea d), tem a forma piramidal e é constituída por quatro ângulos, três ângulos na parte inferior, virados para baixo, e um ângulo na parte superior virado para cima, sendo os seus lados encurvados;

g) No centro do ângulo superior da insígnia do Monte Ramelau referida na alínea d), é reproduzida uma estrela branca com cinco pontas, estando um dos vértices da estrela alinhado com o canto do ângulo superior da parte central da insígnia do Mante Ramelau, não tocando, porém, nas linhas do ângulo;

h) Da estrela referida na alínea anterior erradiam cinco raios dxe cor branca e forma piramidal que terminam na margem superior do livro referido na alínea seguinte;

i) Na parte superior da porção preta da insígnia do Monte Ramelau, figura um livro aberto com capa vermelho-rubro e com as margens pintadas a amarelo-dourado, contendo, na página do lado direito, quatro linhas e, na página do lado esquerdo, cinco linhas, de cor preta e com uma faixa amarelo-dourado na pé-de-página;

j) O livro descrito na alíne anterior encontra-se sobreposto a umqa roda dentada amarelo-dourada assente numa base da mesma cor;

l) O conjunto das figuras descritas nas alínea g) a j) é ladeado, à direita, pela insignia do háre fulin composta por duas folhas e onze espigas e, à esquerda, pelo batar fulin, com duas folhas, ambas amarelo-dourado com as extremidades superiores viradas para baixo;

m) Na parte central inferior da porção preta da insígnia do Monte Ramelau, figura um rama-inan de cor amarelo-dourado, com a respectiva corda virada para cima;

n) Acima da figura descrita na alínea anterior, disposta com a coronha para o lado esquerdo e o cano para o lado direito, encontra-se uma espingarda automática (modelo AK-47/Galaxi) reprodizida a fundo pretao com contornos em cor branca e em posição mais elevada do que a coronha e sem tocar a base da roda dentada;

o) Em posição diagonal sob a espingarda está reproduzido a Diman, de cor amarela-dourado, com a seta voltada para a esquerda;

p) Sobre o fundo branco do centro da circunferência referido na alínea b) e abaixo da insígnia do Monte Ramelau, inscreve-se, com letra maiúsculas e a vermelho-rubro, numa faixa ondulada, de fundo branco e contornao de cor vermelho claro, a espressão UNIDADE ACÇÃO PROGRESSO, disposta de forma encurvada e paralelamente às linhas da insígnia do Monte Ramelau.

 

2. As insínias descritas no número anterior significam:

 

a) O emblema naciona, descrito no número anterior e reproduzido na gravura do anexo C da presente lei é designado por belak;

b)  O belak simboliza o globo terrestre onde se inclui o território de Timor-Lestee é o símbolo da unidade nacional.

c) A cor branca do centro da circunferência, a estrela e os raios simboliza a paz;

d) A cor amarelo-claro que matiza os contornos da porção preta do Monte Ramelau, as faixas e margens do livro, o batar fulin e o háre fulin, a roda dentada o rama-inan e o diman simboliza a Riqueza;

e) A cor preta que matiza a parte central do Monte Ramelau, es espingarda automática e as letras do livro, simboliza o obscurantismo a vencer;

f) A cor vermelha-clara que matiza o Monte-Ramelau, as letras, os aros, os contornos das faixas e o livro, simboliza o amor à pátria e a luta pela livertação nacional;

g) Os raios brancos da estrela simbolizam a luz da solidariedade e a determinação de levar a paz a todo o mundo

h) O conjunto dos quatro ângulos referidos na insígnia do Monte Ramelau simboliza o princípio da seperação de poderes e a interdependência dos órgãos de soberania do Estado.

i) As cinco pontas da estrela branca simbolizam a luz da generosidade e  honestidade que guia o Povo para a Paz;

j) O conjunto do livro aberto, a roda dentada, o batar fulin e o háre fulin simboliza a sabedoria e capacidade popular no contexto do desenvolvimento nas áreas da educação, cultura, justiça social, assim como, nas áreas agrícolas e industriais;

k) O conjunto da espingarda automática, de modelo AK-47/Galaxi, o rama inan e o diman simboliza os valores de séculos de luta de resistência do povo pela libertação nacional e auto-defesa popular pela honra e dignidade da sovberania do Estado;

n) O lema UNIDADE, ACÇÃO, PROGRESSO, representa os valores básicos da polítca e moral em que assenta a vida da nação e do povo.

 

3. O padrão do emblema nacional é o consignada no Anexa C da presente lei.

 

Aprovada em 7 de Novembro 2007

 

 

O Presidente do Parlamento Nacional

Francisco Guterres

Promulgada em 17 Januario 2007

 

Source: Law 02/2007, National symbols of Timor-Leste (Portuguese language)