FRIESLAND / FRYSLAN

 

 

 

 

 

 

Het Wapen van Friesland

 

1.               De Hollandse Graven in Friesland

2.               De Gelderse Graven in Friesland

3.               De Bourgondische Hertogen in Friesland

4.               Albrecht van Saksen, Erfelijk Landvoogd

5.            De Habsburgers en de Souvereine Pro-vincie

 

Essay

 

Het Wapendiploma van Albrecht van Saksen

 

 

 

Wapen van de graaf van Friesland in het Wapenboek Bergshammer (1e helft 15e  eeuw)  fol. 4 r°.

W.: Blauw, bezaaid met zilveren penningen, twee gaande en aanziende gouden leeuwen. Als helmteken een scherm van het wapen.

 

 

 

Epitaaf van Albrecht van Saksen in het Ostfriesisches

Landesmuseum van Emden.

 

 

 

 

De wapens van Karel V (boven) en Filips II (onder) als Heer van Friesland. Naast dit wapen werd nog het ongekroonde wapen van Friesland, bestaande uit de twee gaande leeuwen op het met blokjes bezaaide veld, gebruikt. Dit laatste wapen kan beschouwd worden als het gebieds- of rijkswapen van Friesland.

 

(Reconstructies H.d.V. naar het zegel voor Friesland van Karel V en een Kaart van Het Bildt uit 1570  (A.R.A. ’s Gravenhage))

 

 

 

 

Wapen van de staten van Friesland als souverein van Friesland, gedekt met een antieke gravenkroon. Leeuwar-den, eind 16e eeuw.

HET WAPEN VAN FRIESLAND

 

HET WAPEN VAN FRIESLAND IS BLAUW MET TWEE BOVEN ELKAAR GEPLAATSTE gaande gouden leeuwen tussen zeven liggende blokjes, geplaatst 2, 2 en 3.

 

De Hollandse Graven in Friesland

In 1165 werd Friesland bewesten de Lauwers door Frederik Barba­rossa in condominium uitgegeven aan de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland. Dit hield in dat de graaf van Friesland gezamelijk door de bisschop en de graaf zou worden benoemd. Van een feitelijke uitvoering van het besluit van Frederik Barbarossa is weinig terecht gekomen maar in 1197 wist de broer van graaf Dirk VII van Holland, Willem, zich door de Friezen te laten erkennen, wat door bisschop en graaf werd bevestigd.

            Nadat Willem in 1203 in Holland was opgevolgd, bleef hij de titel „Graaf van Friesland voeren. Uit die tijd zijn twee tegenzegels bewaard gebleven waarop de titel voorkomt. [1]) Op het oudste uit 1203 staat geen wapen maar draagt de graaf een helm met een vogel als helmteken. Met deze vogel is zeker een adelaar bedoeld want op het tweede zegel uit 1222 met als omschrift „Willelmus Comes Frisie”, staat een adelaar met het hollandse wapen op zijn borst.

            Had het er onder de regering van Willem I even op geleken dat in Friesland een grafelijk gezag zou worden gevestigd, onder zijn opvol­gers was daar geen sprake meer van. Willem II, behalve graaf van Holland ook koning van Duitsland en Rome, sneuvelde zoals bekend in 1256 bij Hoogwoud in een poging de Friezen te onderwerpen. Pas Floris V wist in 1289 Friesland ten westen van het Vlie, het huidige West-Friesland, te veroveren. Twee jaar later noemde hij zich eigenmachtig „Heer van Friesland”. Deze titel werd, naar uit een oorkonde uit 1298 valt af te leiden, al spoedig door het Rijk erkend. Wat met dit „Fries­land” werd bedoeld wissel­de daarna nogal. Soms was dat heel Friesland bewesten de Lauwers maar eigenlijk kon de titel slechts betrekking hebben op het door Floris V bezette gebied waarin zijn opvolgers hun invloed wisten te behouden. Daarom wordt de wapenvoering van de Hollandse graven voor Fries­land verder bij het hoofdstuk over Holland behandeld.

 

De Gelderse Graven in Friesland.

In 1290 werd graaf Reinoud I van Gelre rijks­stadhouder van Oost-Friesland, d.w.z. Friesland ten oosten van het Vlie, voor zover dat niet door de graaf van Holland werd opgeëist. Pogingen om zijn gezag in het gebied te vestigen mislukten echter. Bij het offen­sief dat zijn zoon Reinoud II in de jaren twintig van de veertiende eeuw tesamen met de graaf van Holland inzette, wist deze zich te verzekeren van de steun van de groningse stedelijke elite die het te doen was om de verstevi­ging van haar greep op de Ommelanden. Toen Groningen in 1338 door de Ommelanders werd ingenomen moest Reinoud II echter het veld ruimen. Hiermee kwam voorlopig een eind aan de gelderse aanwezig­heid in Friesland. De uitgifte van Friesland als pand aan Reinoud II en de bevestiging van het rijksstadhouderschap (tegelijk met het verlenen van de hertogsti­tel in 1339) had onder deze omstandigheden geen enkele betekenis meer. Nadien werd ook van rijkswege geen steun meer verleend om het gebied onder het gezag van de gelderse hertogen te brengen. Als herinnering bleef aan het gelderse hof nog slechts een heraut met de naam "Fries­land".

            Of de gelderse graven als rijksstadhouder van Friesland een ander wapen hebben gevoerd dan hun eigen grafelijke wapen, wordt door geen enkele bron uit hun tijd bevestigd. Een aanwijzing dat zij wel een vaandel voor de titel voerden wordt geleverd door een handschrift uit de tweede helft van de veertiende eeuw. [2]) Hierin is de dood van Willem II bij Hoog­woud afgebeeld. De friese partij is herkenbaar aan een banier dat zoveel overeenkomst vertoont met het grafelijke gelder­se wapen, dat het zeker het rijksstadhouderlijk banier moet zijn. Terwijl op het grafelijke wapen één gouden leeuw op een met gouden blokjes bezaaid veld stond, staan op het banier twéé gouden leeuwen, het blauwe doek bezaaid met zilveren penningen in plaats van blokjes. Mogelijk is dat de beide leeuwen staan voor Gelre en Friesland. De blokjes kunnen zijn veranderd in penningen omdat het rijksstadhouder­schap werd verleend als schadeloos­stelling voor de bij de Slag bij Woeringen in 1288 geruïneerde Reinoud I. Het voorkomen van de pennin­gen maakt het overigens nog waarschijn­lijker dat het vaandel door Reinoud I of in ieder geval vóór 1339 is gebruikt omdat Reinout II vanaf zijn verheffing tot hertog de blokjes op zijn wapen wegliet.

            De figuren van het banier staan voor het eerst op een schild in de „Hollandse Kroniek” van Claes Heynen, Heraut Beijeren van de graven Albrecht en Willem VI van Holland. [3]) Deze Claes Heynen was voordat hij in dienst kwam bij Albrecht van Holland, werkzaam geweest aan het hof van de gelderse hertogen met de titel „Heraut Gelre” Van hem mogen we dus een grondige kennis verwachten van de wapenvoering van de gelderse graven en hertogen.

            In de „Hollandse Kroniek” staat het wapen met de gaande en aanziende leeuwen op een met penningen bezaaid veld onder het bij­schrift „Raboldus der Vriensen coninc”. Deze Raboldus (ook Radboud of Redbad genoemd), die in 719 stierf, werd wel beschouwd als de stamva­der van een fries gravenge­slacht en van de graven van Holland. Onge­twijfeld is de kroniek mede bedoeld ter legitimatie van de friese veldtochten van graaf Albrecht waarvan het doel was geweest de gehele friese kust tot Bremen toe aan zich te onderwerpen. Toen de kroniek werd geschreven (1405-'09) liep net een bestand met de Friezen af. Slechts met de grootste moeite kon Stavoren nog tot 1411 worden behouden. [4]) De keus voor de leeuwen met de penningen van het gelder­se stadhouderlijke vaandel kan zijn ingegeven door het feit dat dit dus op een groter gebied betrekking had dan dat waarover de hollandse graven het bewind voerden.

 

De Bourgondische Hertogen in Friesland.

Na de dood van Willem VI in 1417 wisten de Friezen een privilege van koning Sigismund te verkrijgen waarbij het Rijk de aanspraken van de hollandse graven niet meer erkende. Op het zegel van Jan van Beieren komt daarom de term "Heer van Friesland" niet meer voor. In 1422 werd, doordat Jan van Beieren kon profiteren van de twisten tussen de Schieringers en de Vetkopers, de grens van de hollandse invloed echter toch weer bepaald op de Lauwers en daarom verscheen ook  de titel weer. Deze bleef door de Hollandse graven verder gevoerd worden ook al ging het hollandse gezag tussen Vlie en Lauwers spoedig weer verloren.

            In 1433 nam Filips de Goede van Bourgondië de grafelijkheid van Holland en dus ook de titel „Heer van Friesland” over. In de jaren 1447-'48 probeerde hij van koning Frederik III gedaan te krijgen hem het bewind in geheel Friesland op te dragen. Tegelijkertijd speelde hij met de gedachte aan een koningstitel voor zich­zelf, hetzij die van Brabant, hetzij die van Friesland. In het laatste geval werd hij niet alleen geïnspireerd door de friese poli­tiek van zijn voor­gangers, maar ook door de "chansons de geste" en de ridderro­mans die het oude friese koninkrijk lieten herleven en die in zijn tijd popu­lair waren. [5]) Een wapen voor dit koninkrijk kon hij dus kant en klaar vinden in de Hollandse Kroniek die zich in de biblio­theek van Willem VI bevond, die inmiddels in zijn bezit was geko­men. Voor het eerst vinden we een wapen dat met de friese ambities van Filips de Goede overeenstemt in het wapenboek van Bergshammar dat tussen 1435 en 1442 moet zijn ontstaan. We vinden hierop de leeuwen en de penningen weer terug. Op het wapen staat een gekroonde helm met een scherm „van het wapen” als helmteken. De helmkle­den zijn blauw en bezaaid met zilve­ren penningen. [6])

            Het wapen wordt, zonder de helm, later afgebeeld tussen de wapens van de overige gewes­ten van de Lage Landen in het „Remisso­rium Philip­pi” van Pieter van Beoosten­zweene dat in de jaren 1433-'45 werd geschreven. [7])

 

            De onderhandelingen tussen Filips de Goede en Frederik III mislukten, vooral vanwege de belangen die de laatste als koning van Duitsland in Frie­sland beoosten de Eems had. Van een koningstitel kwam ook al niets terecht daar deze een onaanvaardbaar precedent zou hebben geschapen. Filips moest zich tevre­den stellen met het behoud van zijn invloed in het westen. Zijn wapenvoering voor Friesland paste hij hierbij vrijwel onmiddellijk aan. Op het titelblad van de "Gestes de Girart de Rous­sillon" van Jean Wauquelin dat in 1450 werd voltooid, staat tussen de wapens van de gewesten in de marge het wapen van Friesland, echter zonder de blokjes of pennin­gen. Dit is te beschouwen als het oudste wapen van Westfriesland waarop hij vanwege de hollandse erfenis alleen recht had. [8])

 

            Door Karel de Stoute werden de ambities van zijn vader ten aanzien van Friesland weer opgevat. Het "koninklijk wapen" van Fries­land met de penningen is daarom te vinden op een ter gelegenheid van zijn huwelijk met Margaretha van York in 1468 gedrukte prent. [9])

            Evenmin als zijn vader slaagde Karel de Stoute er in de Friezen te onderwerpen. Zij weigerden hem als landsheer te erkennen en van een in 1473 voorgenomen veldtocht om hen van gedachten te doen veranderen kwam niets. In tegendeel slaagden de Ommelanders er in 1474 in hun gebied als Rijksonmiddellijk te doen erkennen. Tegelijk kregen ook Ooster­go en Westergo een soortgelijk statuut. [10]) Hiermee kwam aan de bourgond­ische ambities ten aanzien van de koningstitel van Friesland voorlopig een eind. Het wapen met de leeuwen en de penningen komt nadien dan ook niet meer voor.

 

Albrecht van Saksen, Erfelijk Landvoogd (1498-1500).

In 1492 wist de stad Groningen een groot deel van Westerlauwers Friesland te onderwerpen. Hiertegen riepen de Friezen de hulp in van Keizer Frederik III en Koning Maximiliaan I die over zulke rijksaange­legenheden te beslissen hadden. In deze situatie werd een nieuw wapen voor westerlauwers Friesland ontworpen. Het staat voor het eerst op een portret uit ca. 1494 van het dochter­tje van Maximi­liaan, Margaret­ha. Het is een variant op het oude "konin­klijke" wapen. De penningen zijn vervangen door gouden blokjes waarmee op een andere manier dan voorheen naar het gelderse stadhou­derschap werd verwezen. [11]) Men moet hierbij ook in gedachte houden dat Karel de Stoute in 1472 beleend was met Gelre en dat Maximiliaan de hertogstitel van Gelre voerde. De machtiging van de gelderse graven had het gebied ten oosten van het Vlie omvat en de aan­spraak op westerlau­wers Friesland was dus een deel van de gelderse erfenis. Met het gebruik van een variant op het koninklijke wapen werden ook Graaf Edzard Cirksena, die het bewind in Oostfriesland voerde, en de stad Groningen die de Ommelanden in handen had, ont­zien.

            De veldheer van Maximiliaan, Albrecht van Saksen, wist in 1498 Westerlauwers Friesland te veroveren. Onder deze omstandighe­den waren de Friezen bereid Albrecht als hun landsheer te erkennen. Op 6 juni 1498 werd in Rottenburg een overeenkomst tussen Maximiliaan en Al­brecht gesloten waarbij de laatste met de unieke titel van "Erfelijk Gubernator en Postestaat" tot landvoogd van geheel Friesland van de Zuiderzee tot Jade werd be­noemd. [12]) Hiermee kwam er een einde aan de zo lang gehandhaafde "Friese Vrijheid".

            Op 19 augustus 1499 werd Albrecht door Maximiliaan een wapen verleend dat deze in zijn nieuwe kwaliteit mocht voeren. [13]) Het sluit aan de ene kant aan op de hollandse traditie en aan de andere kant op de gelders-bourgondische. Op het hertogelijk wapen van Al­brecht werd een hartschild toege­voegd dat correspondeerde met de nieuwe titel. Het is een gouden schild met daarop de keizerlijke dubbele adelaar. Op de staart ligt het wapen van Friesland met de blokjes. Voor het eerst wordt het friese wapen dan ook beschreven. Het is: „ein plaber schild, darynn ob einander zwin gelb leo met iren aufge­worffen swent­zen zum gan geschickt; underhalb und oberhalb der berur­ten leo in demselben schilde ausgesprayet gelbe spene”. De gehele wapencompositie met een in negenen gedeeld schild met het nieuwe wapen in het midden en gedekt met drie helmen met helmtekens is te vinden op de grafplaquette van Albrecht, thans in het Landesmuseum in Emden.

 

De Habsburgers en de Souvereine Provincie.

Onder de opvolgers van Albrecht kwamen de westerlauwerse Friezen wederom in opstand. Op het wapen van Hendrik en George van Saksen ont­breekt mogelijk om deze reden het hartschild met de adelaar en het wapen met de leeuwen en de blokjes. Zij gebruikten een variant van het wapen van Saksen dat gekwartileerd was van Thüringen, Palts Saksen, Landsberg en Pleissen met een hartschild van Saksen. [14])

            Landvoogd George werd in het najaar van 1514 door de Westerlauwerse Friezen, in verbond met de Geldersen, zo in het nauw gebracht dat hij de wijk moest nemen. Het volgende jaar stond hij zijn rechten voor 100.000 gulden af aan Karel V. Op 1 juli 1515 werd Karel V, vertegenwoordigd door Floris van Egmond, in de St. Vituskerk van Leeuwarden als Heer van Friesland gehuldigd. Direct daarop werd een zegel voor Friesland gesneden waarop het wapen met de leeuwen en de blokjes werd aangebracht. [15]) In 1519, toen Karel V tot Keizer was gekozen werd er een zegel gesneden waarop een wapen voor Friesland staat dat te beschouwen is als het "Keizerlijk Wapen voor Friesland". Het verschilt in zoverre van dat van Albrecht van Saksen dat het friese wapen nu is onderge­bracht in de onderste helft van een doorsne­den schild waarop ook de wapens van Spanje en de Nederlanden staan. Uiteraard verdween ook het rugschild met de kwartieren van Saksen. [16]) Na de regering van Karel V komt dit wapen niet meer voor. Onder Filips II nog werd het wapen van Friesland veranderd. Het aantal blokjes werd teruggebracht tot zeven, geplaatst 2, 2 en 3. Ze staan voor de zeven Friese Zeelan­den nl. West-Friesland, Westergo, Oostergo, Hunsingo, Fivelgo, Emsingo en Jeverland, waarin (geheel) Friesland eertijds was verdeeld. Op het zegel werd een koninklijke kroon toege­voegd hetgeen betekende dat Friesland als "onder de kroon" werd beschouwd. 

            Nadat de Staten van Friesland zich in 1579 bij de Unie van Utrecht hadden aangesloten namen zij het friese wapen van Filips II over. [17]) Na de afzwering van Filips II werd de koninklijke kroon vervangen door een gravenkroon van dertien parels waarmee de Friese Staten, ook al hadden zij onder de Habsburgers altijd de rang van heerlijkheid gehad, de rang van graafschap die het gewest dus in de twaalfde en dertiende had gehad, voor zich opeisten.

            Het wapen van het souvereine gewest werd aanvanke­lijk wel gedra­gen door de dubbele rijks­ade­laar. Na de Vrede van Munster waarbij de Nederlan­den ophielden deel uit te maken van het Rijk, komt ook de dubbele adelaar uiteraard niet meer voor. In plaats daarvan verschenen twee leeuwen als schild­hou­ders. Op afbeeldingen van deze wapencomposi­tie is de kroon steeds gemoderniseerd tot een kroon van drie fleurons en twee parels. Daar­naast komt ook wel een kroon met vijf fleurons en vier parels voor. 

            De wapenspreuk „Nisi Dominus Nobiscum Frustra” (Als God niet met ons is is alles tevergeefs) staat vanaf het begin van de zeventiende eeuw op friese munten. [18])

            Bij de staatsregeling van 1798 werd Friesland met Groningen en de Ommelanden samengevoegd tot het "Departement van de Eems". Voor dit departement werd een zegel gebruikt met het embleem van de Bataafsche Republiek met het omschrift „Departementaal Bestuur van de Eems”. [19])

            Na de Franse Tijd, toen Friesland "Departement Frise" heette en het wapen met de leeuwen en de zeven blokjes opnieuw ingevoerd was, werd het geregis­treerd door de Hoge Raad van Adel. Het schild werd bij deze registratie bezaaid met (dertien) blokjes zoals in de Habsburgse tijd. Bij K.B. van 11 februari 1958 werd het aantal blokjes weer teruggebracht tot zeven. Bij deze gelegen­heid werd ook het gebruik van de kroon en de leeuwen als schildhou­ders bevestigd. 

 


 

 

 

 

2 HET WAPENDIPLOMA VAN ALBRECHT VAN SAKSEN. 

 

Hubert de Vries

 

 

In mijn boek „Wapens van de Nederlanden” kon ik een gedeelte van het wapendiploma van Albrecht van Saksen, waarin hem door Rooms-Koning Maximiliaan van Oostenrijk een wapen voor Friesland werd verleend, opnemen. Dit werd mogelijk gemaakt doordat het wapendiploma eerder door dr. P.J. Blok in Dresden was gezien en voor het gedeelte dat het wapen betrof was overgeschreven. Dit afschrift werd gepubliceerd in 1888.[20]) Na de omwenteling in Duitsland in 1989 zijn enige jaren daarna de stukken van het bestuurlijk archief van de Saksische hertogen die betrekking hebben op Friesland verfilmd en op microfiche gezet. Deze zijn nu in het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum Tresoar in Leeuwarden te raadplegen.

De Acte met het wapendiploma bevindt zich daar onder inventarisnr nr. 31 met de titel:

 

Akte waarbij Rooms-Koning Maximiliaan I aan hertog Albrecht van Saksen een wapen geeft (tweekoppige adelaar in een gouden vlak, met het Friese wapen bij zijn staart), dat hij alleen gebruiken mag als erfelijk gubernator en potestaat van Friesland, totdat de rechten weer worden teruggekocht. Gegeven te Aschaffenburg op 19 augustus 1499. Expeditie op perkament met zegel van Maximiliaan aan een gekleurd koord”.

 

Inventarisnummer 354 van hetzelfde archief bevat de tekst van het diploma in afschrift, terwijl onder inventarisnummer 2315 de minuutversie is beschreven.[21])

De intergrale tekst luidt: [22])

Wir Maximilian von gottes gnaden Römischer Kunig zu allen zeiten merer des Reichs. Zu Hungern Dallmatien Craicien ec Kunig Erzherzog in Österreich, herzog zu Burgunndt zu Lotterich zu Brabant zu Steyer zu Kerenden zu Krain zu Lymburg zu Lutcemburg zu Geldern Grafe zu Flanndern zu Hadsburg zu Tyrol zu Pairre zu Kiburg zu Arthois Windischen Marck zu Portennaw zu Salins unnd zu Mechelnie   g   Bekennen offentlich mit disem brief und tunn kunnd allemenigtlich Als wir hievor nach zeittigem Vorrate unnser und des heiligen Reichs Churfursten, Fursten und Stennde, so auf unnserm küniglichen Tag zu Freyburg im Briszgew in trefflicher Antzal bey unns versammelt gewesen sein, den hochgebornen Albrechten, Hertzogen zu Sachsen, Lanndtgraven in Döringen und Marggraven zu Meyssen, unnserm lieben Oheimen und Fürsten sein Erben und nachkomen  von unsern unnd des heilgen Reichs wegen zu Gubernator unnd Potestaten über die Prelaten, Grafen, Edeln, Stedt, Commun unnd Einwohner des Lannde unnd Inseln Ostergew, Westergew, Sibenwalden, der Grunijnger Gebiete, Dutmarschen, Stranndfriesen, Wurstfriesen, Stelling-warff, unnd aller annder gegennten des Frieslannds so unns und den heiligen Reiche zugehören gesetzt und geordennt und die zu Regieren beisachen Ynnhalt der brief darüber außgeganngen . Das wir auf solichs dem ycergemelten unnserm Oheimen herzog Albrechten von Sachssen gegönnet unnd zugelassen haben gönnen und lassen Ime auch zu von Römischer kuniglicher macht wissenntlich in craft dies briefs. Das Er sein Erben und nachkomen solanng und alle dierweil Syobberurter massen unnser und des Reichs Gubernatoren und Potestaten sein in den Innsigeln, Secreten unnd Pettschafften, die sy in Hanndlungen und Sachen die Ausübung des obbestimmten Gubernats unnd Potestats beruerende gebrauchen unnd weiter nit, in Mitte bey den Zeichen unnd Schilden Ir Erblichen Lennden ein gelben oder goldfarben Schild, darijnnen aufrecht ein Swartzer Adler mit zwayen Haupten sich von einander kerend, yedes Haubt mit eynem Diadem mit seynen ausgebrayten Flugen und unnden in seynem Swanntz den Schild unnd Wappen der yetzberürten Frieszland, die sein mit namen: ein plaber Schild, darijnn ob einander Zwen gelb Leo mit Iren aufgeworffen Swenntzen zum geen geschickt, unnderhalb unnd oberhalb der berürten Leo in demselben Schilde ausgesprayet gelb spene, graben unnd machen lassen unnd gebrauchen sullen und mußen von allermenigklich unverhindert. Doch wann die obbestimbten Frieslannd durch unns oder unnser nachkomem am Reiche Römisch Keyser oder kunig oder das heilig Reiche oder doch mit unnser oder unnsere nachkomen dem Reiche Römischer Keyser oder kunig und des Reichs Curfürsten vereintem günnste und verwilligung dem Hochgebornen Philipsen Erzhertzoge zu Österreich und Hertzoge zu Burgunndt und Brabant unnsern lieben Sun.unnd fürsten als Erzhertzoge zu Österreich und Grafen zu Hollannd oder sein Erben und nachkomen Erzhertogen zu Österreich unnd Grafen zu Hollannd von dem gemelten unnserm Oheimen hertzog Albrechten seinen Erben oder nachkomen widerumb gelost werden wie dann wir unnd Sy Ynnehalle außgegangen verschreyben gemacht haben. Das darum darnach derselb unnser Oheim unnd Fürst Hertzog Albrecht von Sachssen seine Erben und nachkomen sich der obberurten unnsere gönnung und eegemelten Wappen und Cleinetten ferner noch lenger nie gebrauchen sonnder der alszodann zu fueren auch alskeen unnd verengen sein sullen.    g     Und gebieten darauf allen unnd yegblichen Curfursten Fursten geistlichen unnd werelichen Prelaten Grafen Freyen Herren Rietern Knechten Haubtleuten Viertchumben Yogtten Pflegern verwesern Ambsleuten Schultheissen Burgermeistern Richtern Reten Kunigen der Wappen Eerhalten Persuannten Bürgern unnd Gemeinden und sonnst allen anndern unnsern und des Reichs unndertanen unnd getreuen in was wir den stannds oder wesens die sein Ernnstlich und vesstigklich mit disem brief unnd willen. Dar by den obgemelten unnsern Oheimen Hertzog Albrechten von Sachssen sein Erben und nachkomen an den vorbestimbten gönnung zulassunng unnd gebrauchung der berurten Wappen und Cleinetten nicht hyndern noch Irrern sonnder sy der die weil byald vorberurt unnser und des Reichs Gubernator unnd potestaten sein in Friesischen henndeln unnd Sachen gentacssen unnd gebrauchen lassen unnd brauchen nit tun noch Yemannd annders zuturmgesteteter in dhein weyse. Allieb einem yeglichen seyunnser und des reichs ungenad und krafft und darezu ein pene nemlich hundert Marck loteigsgeldes zu vermeyden die ein yeder sooft er freuennlich hiewieder tette unnd halb in unser landes Reichs Camer und den anndern halben teyl dem vorgemeltem unnsern Oheim Hertzog Albrechten von Sachsen seinem erben und nachkomen eegermelt unablestlich zubettalen verfallen sein sol. Mie urkunnd dies briefs besigele ime unnserm kuniglichen anhanngenden Innsigel     g     Heym Aschaffennburg, am neunzehnden tag des monats August Nach Christi geburt vierzehnhundert unnd im nevenundneventigtsten.

Innfort Reiche des Römischen im Vierßehennden unnd des Siemtgerischen ins Zehyenden Iarenn

 

Het stuk is bij volmacht ondertekend door de Aartsbisschop van Mainz, Berthold von Henneberg (1484-1504).

 

Op het wapendiploma staat geen wapentekening.

 

Voor de heraldicus doen zich voor wat het wapen van Friesland betreft geen aardverschuivingen voor omdat de tekst die betrekking heeft op het wapen dus, zoals gezegd, al lang bekend is. Desalniettemin is het toch prettig dat wij nu over de integrale tekst kunnen beschikken waarmee weer een klein gaatje in ons heraldisch erfgoed is gedicht.

Het is wel aardig om op te merken dat van alle functionarissen de wapenkoningen, herauten en persevanten op de laagste plaatsen in de hiërarchie komen, nog juist vóór de burgers en gemene lieden.

Verder valt op te merken dat op misbruik van het wapen een boete staat van 100 mark, voor de helft uit te betalen aan de Rijksschatkist en voor de andere helft aan de hertog van Saksen zelf.

Zoals we weten werd het wapen van Friesland niet in dezelfde vorm door de Habsburgers gebruikt. Het landswapen werd het schild alleen. In het vorstelijk wapen van Karel V werd het borstschild van de dubbele adelaar doorsneden van de kwartieren van Karel V in de bovenste en het wapen van Friesland in de onderste helft. Dit wapen was dus: Goud, een zwarte dubbele en genimbeerde adelaar; op zijn borst doorsneden: I. gedeeld 1. gekwartileerd van Castilië en Leon; 2 De Nederlanden: gekwartileerd van Babenberg, Valois, Bourgondië en Brabant. In de onderste helft: II. Friesland: Blauw,  twee gouden gaande leeuwen op een met blokjes bezaaid veld. Keizerlijke kroon en Orde van het Gulden Vlies. Zijn zoon Filips gebruikte voor Friesland: Doorsneden: I Nogmaals doorsneden: 1. Spanje: Gedeeld: 1. gekwartileerd van Castilië en Leon; 2. Gedeeld van Aragon en Sicilië-Trinacria; 2. De Nederlanden: Gekwartileerd van Babenberg, Valois, Bourgondië en Brabant met hartschild Vlaanderen en Tirol. II. Friesland. Koninklijke kroon en Orde van het Gulden Vlies. Na de Opstand werd dit vorstelijk wapen vervangen door het koninklijk gekroonde wapen van Friesland waarin dus alle dynastieke verwijzingen zijn verdwenen. Tenslotte werd na de afzwering van Filips II de kroon vervangen door een antieke gravenkroon met dertien parels en later door de toen gangbare kronen.

 

 



 

 

[1]) Corpus Sigillorum Neerlandicorum. Den Haag, 1937-'40. Nos 508 & 510.

[2]) Brabantse Kroniek. Alg. Rijksarchief. Brussel, Ms. 876, fol. 31vo.

[3]) K.B. Brussel, Ms. 17914, fol. 6. Voor een beschrijving van de loopbaan van Claes Heynen (+ ca. 1414): Beelaerts van Blokland, W.A.: Beyeren quondam Gelre Armorum Rex de Ruyris. Den Haag, 1933, p. 3.

[4]) Muller, S.: Die Hollandsche Cronike van den Heraut. In: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde. 1885.

[5]) Jongkees, A.G.: Het Koninkrijk Friesland in de vijftiende eeuw. Oratie voor de R.U. Groningen, 1946. Zie voor de politieke ontwikkelingen in Friesland: Vries, O.: Het Heilige Roomse Rijk en de Friese Vrijheid. Proefschrift voor de R.U. Groningen. Leeuwarden, 1986.

[6]) Raneke, Jan: Bergshammar Vapenboken - En Medeltidsheraldisk Studie. Lund, 1975. nrs. 19, 3381 resp. de fol's 4r en 232r. Het wapenboek wordt bewaard in het rijksarchief in Stockholm, afd. Bergshammarsamlingen.

[7]) Thomassen a Thuessink van der Hoop, E.J.: Pieter van Beoosten­zweene's Remissorium Philippi. In: D.N.L., 1921. Kol. 186 e.v.

[8]) Jean Wauquelin. Gestes de Girart de Roussillon. Österreichische Nationalbibliothek, Wien. Ms. 2549, fol. 6 ro. ca. 1447-'50.

[9]) Afgebeeld bij het hoofdstuk over Antwerpen.

[10]) Krijgsverordening van Karel de Stoute. Museum Meermanno-Westreenianum. Den Haag. Cod. 242 10 C 3 1473 & British Museum Ms. 36619 (ca. 1473).

[11]) Diptiek voorstellende Filips de Schone en Margaretha van Oostenrijk. Ca. 1494. Thans in de National Gallery in Londen.

[12]) Zie ook de tekst van de wapenbrief van 1499 in de appendix.

[13]) Haus-, Hof u. Staatsarchiv Wien. Maximiliana 40, fol. 246. En de grafplaquette van Albrecht in het Landesmuseum in Emden.

[14]) Zoals op munten uit 1502 geslagen in Sneek en Leeuwarden en zoals te zien op een wapensteen aan de gevel van het stadhuis in Franeker. 

[15]) Tourneur-Nicodeme, M. Le sceau de Charles, prince d'Espagne, comme seigneur de Frise. In: Revue belgde de Numismatique, 1963 pp. 111-115, Pl. XI. Zegels dd. 6.II.1516/12.II.1517. Gem. Arch. Leeuwarden Inv. Singels. n s 146/148).

[16]) Tourneur-Nicodeme, M. op.cit. 1963. Zegel gebruikt tot 1556. Akte 20 maart 1549, Rijksarchief Leeuwarden, Verz. Schwartzenberg, lade 22 n  14. 

[17]) Zegel van de Staten van Friesland. Algemeen Rijksarchief.

[18]) Documentatie over het voorkomen van de adelaar en de kronen wordt geleverd door munten die in Friesland werden geslagen.

[19]) Schutte, O. op.cit. 1971. No 115. In de franse tijd (1810-'13) de franse adelaar ibid. no 255.

[20] ) Blok, P.J.: Verslag aangaande een onderzoek in Duitschaland naar Archivalia belangrijk voor de Geschiedenis van Nederland. 1886-1887. ’s Gravenhage, 1888. p. 52.

[21] ). Mijn dank gaat uit naar Otto Kuipers van de Publieke Dienstverlening van de Tresoar in Leeuwarden voor de inlichtingen en de vlotte medewerking van de Tresoar.

[22] ) Dit is mijn eigen transcriptie die mogelijk afwijkt van het afschrift in Leeuwarden.