Drie bladzijden uit het Book of Kells

 

 

Hubert de Vries

 

 

             

 

1.Maria met Christuskind fol. 7.v°

2.Christus fol 32. v°

3.De Verzoeking van Christus fol 202. v°

 

 

 

Offa en het Book of Kells.

 

In de bestaande literatuur is men het er over eens dat het zgn. Book of Kells rond 800 ergens op de Britse Eilanden tot stand is gekomen.  Iets eerder valt de regering van Offa die zich in 785 had meester gemaakt van Kent en op deze manier heel zuidelijk Engeland, inclusief de aartsbisschopszetel in Canterbury beheerste. In 796 verviel de macht van Mercia weer door de vroege dood van zijn zoon Ecgfrith maar diens opvolger Coenwulf slaagde er toch in nog enige tijd de leenheer van de aartsbisschop te blijven.

            In 825 werd Kent opnieuw, maar nu door Wessex geannexeerd en in 829-830 heerste de Westsaksische koning Egbert ook nog over Mercia.

            Wat potentie betreft kan het Book of Kells zowel door Offa als door Egbert zijn besteld maar vanwege de ontstaanstijd is Offa het meest waarschijnlijk als opdrachtgever.

            Tijdens de regering van Offa, maar in het bijzonder in de periode 785-796, viel het pontificaat van Hadrianus I (772-795) die nog gehoorzaamheid verschuldigd was aan de keizer van het Oost-Romeinse rijk. In het Oost-Romeinse rijk regeerde tot 780 Leo IV de Khazaar. Hij werd opgevolgd door zijn tienjarige zoontje Constantijn VI. Gedurende de minderjarigheid van Constantijn VI werd het regentschap waargenomen door zijn moeder Irene die in 792 een aanslag op haar zoon liet plegen en vervolgens het regentschap opnieuw waarnam (792-797). Na zijn dood in 797 volgde zij hem op tot zij zelf in 802 werd afgezet.

            In de onstaanstijd van het Book of Kells zijn er dus verschillende personen die relevant zijn voor de staatkundige positie waarin de unie van Kent en Mercia verkeerde. De nominale souverein van Engeland was keizer Constantijn VI (780-797) en zijn regentes Irene. In Rome voerde paus Hadrianus I het bewind en in Canterbury de aartsbisschopppen Jaenberht (765-792) en Aethelheard (792-805). De Unie werd verder geregeerd door Offa (757-796) en zijn vrouw Cynethryth. Vanaf 787 was de zoon van Offa en Cynetryth, Ecgfrith, onderkoning in Mercia. Hij bekleedde die positie omdat Offa van een ordelijke troonsopvolging verzekerd wilde zijn.

            Het is dus te verwachten dat het boek aan deze belangrijke personen is opgedragen en dat er ook afbeeldingen van hen in het manuscript zijn te vinden. Voor deze afbeeldingen komen de fol.s 7 v°, 32 v° en 202 v° in aanmerking.  Deze folios stellen volgens de traditie de Maagd Maria met Kind, Christus en de Verzoeking van Christus voor.

            Wat stijl betreft komen de bladen met de Maagd Maria en Christus met elkaar overeen. Het blad met de Verzoeking van Christus wijkt daarvan duidelijk af en is dus door een andere kunstenaar en mogelijk vroeger of later gemaakt. Het is mogelijk dat de bladen bij een herbinding van het manuscript op hun huidige plaats terecht zijn gekomen.

            Van de drie hoofdfiguren op de bladen hebben de Christus van de Verzoeking en de Maagd Maria een stralenkrans met kleine griekse kruisjes om hun hoofd. Dit betekent dat er wereldlijke vorsten zijn afgebeeld. De stralenkrans of nimbus is een variant van het rijkssymbool in de vorm van een zon en werd wel door rijksvorsten maar niet door de Christelijke geestelijkheid gedragen daar de status van het Christendom als staatsgodsdienst lange tijd onduidelijk was. De pausen werden ook niet met een nimbus voorgestelt maar in een enkel geval met een rechthoekige plaquette die doet denken aan de plaquettes van de Laat Romeinse bestuursambtenaren.  De afgebeelde man op fol. 32 v° is dus een geestelijke en geen wereldlijke vorst.

            Om dezelfde reden moet aangenomen worden dat met de vrouw met kind ook niet Maria maar een wereldlijke vorstin is bedoeld en degene die daarvoor in aanmerking komt is Keizerin Irene vóór en gedurende haar eerste regentschap.

 

Om dit te verduidelijken moet het zgn. Lorsch-diptiek en de bijbehoreden bijbel van Lorsch worden aangehaald.  Het diptiek stelt aan de ene kant een vrouw met kind voor en aan de andere kant een jonge man met lang krullend haar en een boek in zijn hand. Deze worden in de gangbare literatuur geidentificeerd als Maria met Kind en Christus.

 

Madonna: Keizerin of Moeder Gods?

 

De Madonna is een afbeelding van moeder en kind die benoemd wordt als Maria, de moeder van Jezus, met haar zoon op haar schoot. Het thema moeder en kind is in het Christelijke cultuurgebied eindeloos herhaald en door verschillende vorstinnen en keizerinnen voor propagandadoeleinden gebruikt.

            Het thema is ook uit de antieke wereld bekend. Zo is er een beeldje van moeder en kind uit het Hittitische Rijk, en uit Egypte uit de tijd van Aknaten en later. De laatste is een beeldje van Isis en Harpokrates.

            De oudst mij bekende afbeelding van een Madonna, dat wil zeggen een afbeelding van een Moeder en kind in een Christelijke context, staat op een stenen relief uit de vierde eeuw. Hierop is de keizerin afgebeeld met aan haar voeten de drie koningen die haar geschenken komen brengen.

            De combinatie is verder aan te treffen op het mozaïek in de S. Maria Maggiore in Rome. Hierop staat een afbeelding van Valentinianus III (*419-†455) als kind, gezeten op zijn troon met aan zijn rechterzijde zijn moeder Placidia (†450) in keizerlijke dracht en aan zijn linkerzijde een in een blauw gewaad gehulde vrouw die de min van Valentinianus kan zijn. Troonopvolgertjes worden verder ook tesamen met hun moeder afgebeeld zoals Leo II en zijn broertje tesamen met Ariadne in de Basiliek van St. Demetrius in Thessaloniki. In de volgende eeuwen wordt het kind op schoot geplaatst. Er is ook een ikoon uit de zesde eeuw die een moeder en kind voorstelt gezeten tussen de portretten van Tiberius II Constantijn (578-582) en zijn vrouw Anastasia. De icoon wordt bewaard in het klooster van St. Catharina in Sinaï.

De vrouw zelf wisselt in  het begin voortdurend. Bij het icoon van het Catharinaklooster is gekozen voor de vrouw in het blauwe gewaad. Bij de iconen uit het eind van de 8e eeuw wordt het kind eerst op de schoot van de vrouw in het blauwe gewaad gezet maar later op de schoot van een vrouw in keizerlijke dracht. Het staat hierbij vast dat steeds dezelfde vrouw is afgebeeld en met enige mate van zekerheid kan worden aangenomen dat het hierbij om keizerin Irene gaat. In feite deed de situatie dat de keizerin als voogd voor haar zoontje optrad, zich slechts zelden voor. Zeker was dat het geval bij Placidia die lang voor Valentianus het bewind voerde en eveneens is dat het geval voor Irene. Deze laatste complotteerde zelfs nadat haar zoon aan het bewind was gekomen tegen hem liet hem gevangennemen en de ogen uitsteken en tenslotte ook verdwijnen.

            Het is in het geval van de icoon van Tiberius II Constantijn dus de vraag of werkelijk Maria bedoeld is of dat de vrouw van Mauritius, Constantina, met kind is afgebeeld, tesamen met haar ouders, het keizerlijk echtpaar.[1]] De keuze voor het blauwe gewaad is te verklaren uit de omstandigheid dat Constantina geen regentes is geweest voor haar zoontje en misschien evenmin tot keizerin was gekroond (zoals Anastasia vóór haar). Het feit dat zij een nimbus draagt zou er op kunnen wijzen dat zij al wel keizerin was. Dit zou de icoon dateren op 582, het jaar waarin Mauritius medekeizer en keizer werd.

            Het hiaat dat bestaat tussen de afbeelding van Constantina met kind en Irene met Constantijn VI zou te verklaren moeten zijn uit het feit dat in de tussenliggende 200 jaar geen vrouw voor haar minderjarige zoon als regentes is opgetreden.            

            Na de regering van Irene die in 800 in het Westen en in 802 in het Oosten met haar afzetting eindigde, is de combinatie meestal als Madonna of de Moeder Gods met het Christuskind te benoemen. In het Westen houdt dit zeker verband met de omstandigheid dat vanaf 800 dit deel van het Rijk officieel niet meer bij Byzantium behoorde maar een zelfstandig onderdeel werd met de Frankische keizer en de paus aan het hoofd. In dit kader behoorden de vele imago’s van de Byzantijnse keizers en keizerinnen die in Rome en Italië in de kerken waren te vinden tot een voorbij verleden. Vanaf deze tijd werd daarom getracht de herinnering aan deze periode in de geschiedenis uit te wissen en kregen de portretten de namen van heiligen die wel een religieuze maar geen politieke betekenis hadden. Aan deze hernoeming moeten ook de waarschijnlijk, vele portretten van Irene met Constantijn ten prooi zijn gevallen en hiervoor was een hernoeming in een afbeelding van Maria met haar kind Jezus, naar analogie en als aanvulling van de afbeeldingen van Christus als Pantocrator, uitermate geschikt. Deze stap eenmaal gezet kon een enorme productie aan afbeeldingen van deze bijzondere Moeder met Kind beginnen, zowel in het Westen als in het Oosten. In de meeste gevallen werd daarvoor aan het wat ik noemen zal het Constantina-sjabloon de voorkeur gegeven. In andere gevallen wordt het Irene-sjabloon gebruikt waarbij de Moeder Gods als keizerin wordt afgebeeld.

            Niettemin bleef de verwarring lange tijd voorkomen maar het is zeer de vraag of dit niet komt door de vooringenomenheid van de moderne kunsthistorici maar vooral ook van de kerkelijke autoriteiten die er een direct belang bij hadden de herinnering aan de ondergeschiktheid van de kerk aan de keizerlijke macht uit te wissen. Zo worden afbeeldingen van vrouwen met nimbus, met of zonder kind, gewoonlijk zonder omhaal als Maria betiteld terwijl bij wat nadere beschouwing toch duidelijk zou moeten zijn dat het om een vorstin gaat. Voorbeelden daarvan zijn de afbeelding van Keizerin Theophanu (de moeder van Otto III) in het Sacramentarium van Petershausen [2]], en de afbeeldingen van koningin Elizabeth Kotromanič van Hongarije en haar dochter(s) op ikonen in de Domschat van Aken. [3]] 

 

Irene en Constantijn VI

 

Als we nu aannemen dat de afbeeldingen van moeder en kind uit het eind van de 8e eeuw keizerin Irene en haar zoon Constantijn voorstellen, dan wordt het ook duidelijk wie er op het Lorsch-diptiek en in de bijbel van Lorsch zijn afgebeeld. Dit kunnen niet anders zijn dan keizerin Irene zelf en in het interieur Constanijn op verschillende leeftijden, afgesloten op het achterplat met een voorstelling van Constantijn gekleed als belijdend Christen maar niet in keizerlijk- of kroningsgewaad. Dit houdt in dat hij een lange pij aan heeft en ongeschoeid is en bovendien zijn haar los heeft hangen. In het kort samengevat is de bijbel van Lorsch dus een verslag van de jeugd en opvoeding van de keizer Constantijn en is het boek hem vermoedelijk geschonken ter gelegenheid van te terugtreden van Irene als regentes in 790 en zijn aanvaarding van het bewind (790-792).

 

Deze aanname heeft ook gevolgen voor de datering van het Book of Kells.

 

Op blad 7 v° staat een afbeelding van een vrouw met een kind op haar knie. Hiervoor komen, het voorgaande in beschouwing genomen, Irene en Constantijn VI in aanmerking. Daarbij helpt ook dat Constantijn duidelijk met rood haar is afgebeeld zoals hij ook in het Evangeliarum van Lorsch met rood haar is afgebeeld. Gezien de grootte van het kind kan de ontstaanstijd van het blad worden vastgesteld op vóór 780, het jaar dat hij zijn vader op negenjarige leeftijd opvolgde en Irene als regentes voor hem ging optreden. 

 

Jaenberht

 

Blad 32 v° stelt in ieder geval niet Christus voor omdat deze in die tijd, zowel als hoofd van de kerk als als Pantocrator werd afgebeeld met een kruisnimbus. We hebben hier dus te maken met een hoge prelaat wat ook te zien is aan het boek dat hij draagt. Deze prelaat is niet paus Hadrianus I omdat deze geen baard had zoals uit enkele portretten van hem is op te maken. Het is ook geen andere paus omdat het pallium ontbreekt. Een Ierse geestelijke is het al evenemin omdat deze de tonsuur over het voorhoofd aanbrachten i.p.v. op de kruin. Deze afbeelding is daarom ook een sterk argument  voor het ontstaan van het manuscript in Engeland. Het zou hier dus moeten gaan om een aartsbisschop van Canterbury onder wiens geestelijk gezag Brittannië viel. Met deze prelaat is iets merkwaardigs aan de hand omdat hij in het gezelschap verkeerd van twee pauwen met een rood kruis op een wit veld op hun pols. Het rode kruis op wit is het algemene symbool van de katholieke kerk ofwel de ecclesia (gemeenschap van Christus). Het is echter ook mogelijk dat deze kruisjes later zijn aangebracht toen delen van het blad met witte verf werden geretoucherd. Over het algemeen kan men de pauw beschouwen als het symbool van een prefect dan wel van een hoge bestuursambtenaar. Volgens Augustinus was de pauw het symbool van onkreukbaarheid omdat zijn vlees zelfs na lange tijd nog niet bedorven was. Evenzo verdrijft de pauw met zijn geschreeuw alle ongedierte”. Om die reden worden de (mede-) keizers die zich als prefect, bijvoorbeeld van Rome of Gallië, beschouwden ook afgebeeld met een pauwestaart als helmteken. Voor de theorie dat de pauwen het symbool zijn van een provinciaal gouverneur of exarch, i.h.b. die van Ravenna pleit dat in deze stad een aantal sarcophagen zijn bewaard waarop een christogram tussen twee pauwen is afgebeeld. Het exarchaat Ravenna bestond van het eind van de 6e eeuw tot 750. In 756 schonk Pepijn de Korte het gebied van het voormalige exarchaat aan de paus die daarmee ook een erkend wereldlijk vorst werd. In 774 werd deze zgn.  schenking van Quierzy” nog eens door Karel de Grote bevestigd. [4]] Het symbool van het latijnse kruis tussen de pauwen kan na 751 dus heel goed te beschouwen zijn als het symbool van de paus van Rome resp. van de pauselijke regering over een deel van Italië. De afbeelding van de prelaat in combinatie met de pauwen zou dus kunnen betekenen dat hij behoorde tot het rechtsgebied van de kerk van Rome (hetgeen nog eens door de rode kruisjes wordt bevestigd) en onder het gezag van de paus i.c. paus Hadrianus I. viel. In dat geval kunnen de aartsbisschopppen Jaenberht (765-792) of Aethelheard (792/’3-805) zijn afgebeeld.

            Blad 32 v° kan dus, gezien de onstaansdatum, Jaenberht voorstellen. Ter weerszijden van hem zijn een vrouw en een man afgebeeld. De man heeft een scepter in zijn linkerhand en bekleedt dus een hoge bestuurlijke positie maar is geen koning omdat zijn nimbus ontbreekt. Dit komt ongeveer overeen met de positie die Ecgfrith vanaf 787 had. Voor de vrouw komt tenslotte ofwel de vrouw van Offa zelf, Cynethryth, ofwel de vrouw van Ecgfrith in aanmerking.

 

Offa

 

Op dezelfde manier kan vastgesteld worden dat de hoofdfiguur op fol 202 v° waarschijnlijk Offa zelf voorstelt. Dat het om een wereldlijk vorst gaat is in de eerste plaats te zien aan de nimbus die hij draagt. Deze is versierd met Griekse kruisjes en kan aldus beschouwd worden als de voorloper van de latere met kruisjes en lelies bezette kronen die in goud en edelstenen door vorsten niet achter maar op het hoofd werden gedragen. De verwarring tussen een nimbus en een kroon, beide corona genoemt blijft trouwens tot in de Renaissance nog bestaan.   De nimbus of corona wordt min of meer gedragen door twee zwevende engelen die de frase Dei Gratia verbeelden. Deze engelen zijn vanaf het eind van de 4e eeuw algemeen als begeleiders van het keizersimago.  In tegenstelling tot de prelaat op fol 32 v° draagt hij een korte rode baard of is ongeschoren. Verder heeft hij een schriftrol in zijn hand die verwijst naar de insignia die de Romeinse bestuurders in de 4e en 5e eeuw uitgereikt kregen. Schriftrollen waren, tesamen met een foliant, onderdeel van de insignia van de bestuurders van het derde echelon, de comes, de duces en anderen. Op het foliant stond volgens de Notitia Dignitatum de tekst: FL[oreas) in[ter] all[ectos] co[mites] ord[dinis] P.R.[imi] (= Dat u mag bloeien tussen de gekozen gevolmachtigden van de eerste rang). [5]] In later tijd werd de foliant opgeborgen in een koker die met twee doppen werd afgesloten. In die zin is de schriftrol die onze figuur in de hand houdt dus een voorloper van de maarschalksstaf enerzijds, en een voorloper van een scepter anderzijds.

            De vorst  op het blad is gezeten aan een tafel bedekt met een kleed waarop aan de voorkant het keizerlijk imago, voorzien van nimbus en twee gekruiste scepters, is aangebracht. In de Laat-Romeinse tijd waren deze tafels overdekt met een blauw kleed waarop aan de voorkant eveneens het keizerlijke imago was aangebracht. Dit soort tafels zijn de voorlopers van onze credens-tafeltjes waarop de regalia worden uitgestald.  Het imago op het kleed kan van Leo IV zijn die keizer was van 775-780. In dat geval zou de afbeelding dateren uit zijn regeringsperiode. 

            Ter weerszijden van de tafel zijn de leden van de entourage van de vorst, prelaten of andere hoogwaardigheidsbekleders gezeten. Die aan zijn linkerhand zijn verwijderd en vervangen door een afbeelding van de duivel zodat het portret kan dienen als een illustratie van het verhaal over de verzoeking van Christus.

            Aan de voorkant van de tafel tenslotte is een gangpad vrijgehouden waaraan ter weerszijden bij wijze van parlement andere personen of „volksvertegenwoordigers” staan of zitten. Dezelfde figuratie komt ook voor op de koningskant van de Ierse ringkruisen en is tot op de dag van heden in het Britse parlement te vinden.

            De verrassende uitkomst van onze excercitie is dus ook, dat we met blad 202 v° een oude, zo niet de oudste afbeelding hebben van het Britse Parlement .

 

Samengevat moet de volgorde van de bladen zijn: het eerste blad met Keizer Leo IV de Khazaar ontbreekt maar vervolgens komen: keizerin Irene met Constantijn VI, koning Offa met regering en parlement, aartsbisschop Jaenberht met koningin Cyneryth en (de latere) medekoning Ecgfrith. Deze opdrachtbladen moeten in de jaren tussen 775 en 780 zijn gemaakt. Na deze bladen moeten de evangeliën zijn gevolgd.

                                                                                           

                                                         Amsterdam 15.11.2006.

                                                                                                                                                                                                                                                                                   

BACK TO MAIN PAGE

 



[1] ) Gibbon II, 861, 896-902. Uit deze passages is op te maken dat Constantina de dochter was van Tiberius II Constantijn en Anastasia en aan Mauritius was uitgehuwelijkt. De opvolgingsdata intussen blijven onduidelijk in dit verband want volgens hem volgde Mauritius op 13 Augustus op en stierf Tiberius C. op 14 Augustus 582. Het huwelijk zou dus eerder moeten hebben plaatsgevonden maar daarover zegt Gibbon niets. De vijf zonen van Mauritius werden in 602 tesamen met hun vader terechtgesteld bij de opstand van Phocas.

[2] ) Heidelberg, Universitätsbibliothel, Cod. Sal. IX b. fol 41r°.

[3] ) Inv. n°s 83 & 84.

[4] ) The fragments of the province of Italy, as it was when reconquered for Justinian, were almost all lost, either to the Lombards, who finally conquered Ravenna itself about 750, or by the revolt of the pope, who finally separated from the Empire on the issue of the iconoclastic reforms. When in 756 the Franks drove the Lombards out, Pope Stephen II claimed the exarchate. His ally Pepin III, King of the Franks, donated the conquered lands of the former exarchate to the Papacy in 756; this donation, which was confirmed by his son Charlemagne in 774, marked the beginning of the temporal power of the popes as the Patrimony of Saint Peter. The archbishoprics within the former exarchate, however, had developed traditions of local secular power and independence, which contributed to the fragmenting localization of powers. Three centuries later, that independence would fuel the rise of the independent communes.

[5] ) Het Romeinse diocees Brittanniae, onder een vicaris, was verdeeld in de provincies Maxima, Flavia Caesariensis, Brittannia I en Brittannia II. Mercia lag in het vm. Flavia C.. Wessex en Kent in de provincies Brittannia I en II. Over B. I regeerde een dux, over B. II een comes.